Op zoek naar de kropgazelle in de Eldarivlakte. © Jan Heip
Reisgids Brecht © Jan Heip
Aankomst op de luchthaven van Tbilisi - onze witte en zwarte Toyota Landcruisers. © Jan Heip
© Jan Heip
We waren vertrokken. © Jan Heip
Vlucht van Schiphol naar Tbilisi. In werkelijkheid vlogen we niet over Oekraïne maar zuidelijker over de Zwarte Zee. © Jan Heip
Het monument van de eeuwige vriendschap tussen de Russen en de Georgiërs uit 1983. © Jan Heip
Terugkomst uit het dennenbos waar we de Turkse boomklever zagen. © Jan Heip
De reigerkolonie op de rechteroever van de Koerarivier. Kwakken en koereigers. © Jan Heip
De Koera rivier. © Jan Heip
Er waren (nog) veel huismussen in de stad. © Jan Heip
De Koera rivier. © Jan Heip
Van Tbilisi naar Kazbegi (na het bezoek aan het dennenbos). © Jan Heip
Hotel Kopala (foto van de volgende dag 27 april). © Jan Heip
Tbilisi by night vanuit het restaurant van hotel Kopala. © Jan Heip
Rotskruiper © Jan Heip
Grauwe gors © Jan Heip
Grijze gors mannetje. © Jan Heip
Vale gieren © Jan Heip
Lammergier adult. © Jan Heip
Witkruinroodstaart © Jan Heip
Waterpieper in een berijmde weide. © Jan Heip
Kaukasische strandleeuwerik is een ondersoort van onze strandleeuwerik. © Jan Heip
Alpenkraai © Jan Heip
Witte kwikstaart - Motacilla alba dukhunensis – let op de witte randen van de vleugelveren. © Jan Heip
Agfa diapositief van sneeuwvinken in de Kaukasus op een bergpas (Jvaripas?) in juli 1988. © Jan Heip
Binnenkant van het monument - let op de data. © Jan Heip
Turkse frater © Jan Heip
© Jan Heip
Het verlaten dorp Nogkau met links de bomen van het kerkhof (nog niet in blad). © Jan Heip
De piste was versperd met keien en rotsen. © Jan Heip
Een nauwe kloof waar we helaas niet door konden rijden – de rivier is de Terek. © Jan Heip
Verlaten dorpen en ruïnes: de oorspronkelijke bevolking is naar Zuid-Ossetië verhuisd.  © Jan Heip
Kleine plevier - let op de gele oogring. © Jan Heip
Waterpieper in broedkleed (let op de zwarte poten). © Jan Heip
© Jan Heip
Vlaamse gaai van de Kaukasus (Garulus glandarius krynicki). © Jan Heip
Rotskruiper © Jan Heip
Van Kazbegi naar het Jandarimeer en daarna verder naar Udabno. © Jan Heip
Het Dariali kloostercomplex - let op de oplegger van de vrachtwagen: die was ooit van de firma Diependaele. © Jan Heip
Kaukasische waterspreeuw wegvliegend met prooi. © Jan Heip
Waterspreeuw © Jan Heip
Fitis © Jan Heip
Het befaamde 'trapje' van de Taigaboomkruiper © Jan Heip
Taigaboomkruiper © Jan Heip
Het kerkje van Gereti toegewijd aan de heilige drievuldigheid. © Jan Heip
Een koppel Kaukasische korhoenders links vrouwtje - rechts mannetje. © Jan Heip
Witkruinroodstaart © Jan Heip
Rode rotslijster © Jan Heip
Oost-Kaukasische Toer - mannetje. © Jan Heip
Speurend naar Kaukasische berghoenders en Kaukasische korhoenders (Mireille en Geert). © Jan Heip
De top van de Kasbek kwam even tussen de wolken tevoorschijn. © Jan Heip
Adulte Armeense meeuw. © Jan Heip
Twee vissers in een roeiboot. © Jan Heip
Ooievaar © Jan Heip
Grauwe klauwier © Jan Heip
Kleine klapekster © Jan Heip
Balkankwikstaart © Jan Heip
Ménétriés’ zwartkop - mannetje. © Jan Heip
Kaspische beekschildpadden © Jan Heip
Schreeuwarend © Jan Heip
Comfortabele picknick op een kerkhof: Herman (staand), Mireille, Brecht, Elvire, Ilse, Ann, Eefje en Pieter. © Jan Heip
Op zoek naar vliegenvangers in het bos van Ananuri met een lokale straathond. © Jan Heip
Kijkend naar de gekraagde roodstaart: Mireille, Brecht, Willy, Ilse en Pieter. © Jan Heip
Een gedeelte van het kasteel van Ananuri. © Jan Heip
Fles rode wijn met een afbeelding van de grote zee-eend. © Jan Heip
Een winkel waar men Churchkhela verkocht en souvenirs (made in China). © Jan Heip
Een groep van 25 casarca’s. © Jan Heip
Slangenarend © Jan Heip
Grauwe franjepoot (mogelijk een wijfje in overgang naar broedkleed). © Jan Heip
Oostelijke blonde tapuit © Jan Heip
Bonte tapuit of een hybride tussen een oostelijke blonde tapuit en een bonte tapuit. © Jan Heip
Een koppel huismussen in een nis in de muur van het klooster. © Jan Heip
Vrouwtje grauwe kiekendief © Jan Heip
Een lokale veewachter komt ons even bekijken aan het vijvertje. © Jan Heip
Levantijnse meerkikker © Jan Heip
Izabeltapuit © Jan Heip
Van Udabno naar het David Gareji kloostercomplex en terug en dan naar Dedoplistskaro. © Jan Heip
Na het avondmaal werd de checklijst ingevuld: Ilse, Pieter en Eefje. © Jan Heip
Kortteenleeuwerik © Jan Heip
Het Dali stuwmeer (1986) gezien vanaf de dam. © Jan Heip
Roodkopklauwier © Jan Heip
Russische kauw © Jan Heip
Een lokale veehoeder. © Jan Heip
Adulte aasgier © Jan Heip
Slangenarend © Jan Heip
Vermoedelijk een arendbuizerd. © Jan Heip
Arenbuizerd © Jan Heip
Kalanderleeuwerik © Jan Heip
Steenuil © Jan Heip
Bijeneter © Jan Heip
Scharrelaar © Jan Heip
Huismus (mannetje) © Jan Heip
Zwartkopgors man © Jan Heip
Van Dedoplistskaro naar het stuwmeer Dalis Mta. © Jan Heip
Moorse landschildpad © Jan Heip
© Jan Heip
Een deel van de medereizigers van links naar rechts: Willi, Elvire, Eefje, Ann, Mireille en Herman op het muurtje voor het huis van het reservaat. (Ilse, Pieter en Brecht mankeren). © Jan Heip
In het Nationaal park administratiehuis hing een foto van een luipaard. © Jan Heip
Kaart van Vlashlovani Nature Reserve en omgeving - de pijlen geven onze route aan. © Jan Heip
Dwergooruil in het stadspark van Dedoplistskaro. © Jan Heip
Mannetjes zwarte frankolijn gezien tijdens de terugweg bij verminderd licht. © Jan Heip
De moddererupties in Takti Tepha. © Jan Heip
Vrouwtje kleine torenvalk, moeilijk te onderscheiden van vrouwtje torenvalk -  ze heeft ook witgele klauwen (diagnostisch). © Jan Heip
Mannetje kleine torenvalk © Jan Heip
Mannetje kleine torenvalk © Jan Heip
Gebouw aan de dam met talrijke gebroken vensters waarin een kleine torenvalkkolonie gevestigd was. © Jan Heip
Zwarte frankolijn © Jan Heip
Uskaheli uitkijkpunt (Mijnis Kure). © Jan Heip
Onze kamer in de
Een van de vijf bungalows: vergane glorie. © Jan Heip
Grensbord: alleen met een speciale toelating mag men verder. © Jan Heip
Een  vrachtwagen uit de sovjettijd met allicht watertanks die niet meer gebruikt werd. © Jan Heip
Twee kropgazelles een wijfje (links)- en een mannetje (rechts met hoorns). © Jan Heip
Op zoek naar de kropgazelle in de Eldarivlakte. © Jan Heip
Steppebuizerd © Jan Heip
Rotsklever © Jan Heip
Levantijnse adder – let op de houding: klaar om toe te slaan. © Jan Heip
Levantijnse adder © Jan Heip
Het uitzicht vanaf de uitkijkpost. © Jan Heip
Op het uitkijkpunt: van links naar rechts: Ann, Ilse, Eefje, Pieter en Willy. © Jan Heip
Geert, Pieter en Eefje in het dakrestaurant van hotel Kopala. © Jan Heip
Lunch op de parking van de Eagle Gorge. © Jan Heip
Grauwe klauwier mannetje © Jan Heip
Kleine klapekster © Jan Heip
Kuifleeuwerik © Jan Heip
Syrische bonte specht op de grond op zoek naar mieren? © Jan Heip
Kleine plevier © Jan Heip
Roze spreeuw © Jan Heip
Oostelijke vale spotvogel. © Jan Heip
Syrische bonte specht © Jan Heip
Wielewaal mannetje © Jan Heip
© Jan Heip
© Jan Heip
© Jan Heip
© Jan Heip
14 juli 2025

Vogelreis naar Georgië 2025: op zoek naar trekvogels

Tijdens onze voorjaarsreis naar het prachtige Georgië werd weer heel wat afgevogeld en gefotografeerd. Jan was een van de deelnemers en schreef een relaas over de reis, waarbij heel wat mooie foto’s om het hoekje komen kijken. Lees gerust mee en geniet!

Rode rotslijster © Jan Heip
Alle beelden op onze website zijn eigen werk en gemaakt door onze deelnemers en gidsen. Wat je ziet geeft dus een realistisch beeld van wat jij zelf kan zien, beleven en fotograferen op onze reizen.

Vrijdag 25 april 2025

Ik had al een paar keer geprobeerd om terug naar Georgië te reizen. In juli 1988 bezocht ik het land voor het eerst tijdens een groepsreis met Volkstoerisme Ninove door de Sovjetunie. We reden toen vanuit Ordzhonikidze (nu Vladikafkas), een stad aan de Terekrivier in Noord -Ossetië (Rusland), over de Militaire Weg naar Tbilisi. Daar verbleven we enkele dagen, voordat we doorvlogen naar Tasjkent in Oezbekistan. Een nieuwe poging ondernam ik met STARLING reizen, maar telkens als hun brochure net verschenen was, bleek de reis naar Georgië al volgeboekt. Tijdens een bijeenkomst van STARLING reizen sprak ik Brecht De Meulenaer (onze gids in Georgië) aan en vertelde hem dat ik graag mee zou gaan. Gelukkig viel er iemand af en kon ik nog inschrijven voor de reis van 2025. Bedankt, Brecht. Nadat de reis betaald was, moest enkel nog het vervoer naar Schiphol geregeld worden, want Georgian Airlines vertrok van daar. Er zijn geen rechtstreekse vluchten vanuit Zaventem. Ongeveer één week voor het vertrek hakte ik de knoop door: ik boekte een kamer in het Van Der Valk Hotel nabij Schiphol voor de nacht van 25 op 26 april. Om 17u vertrok met mijn auto vanuit Ninove en reed in Aalst de E40 op richting Brussel. Al na enkele kilometers stond ik stil op de snelweg. De file ging traag vooruit voorbij de plaats waar er een zware aanrijding op het linker rijvak was gebeurd. Daar was een kop-staart aanrijding van 3 of 4 wagens en iets verder zag ik nog twee geaccidenteerde wagens op de pechstrook waarvan één op zijn dak. De inzittenden stonden erbij. Na dit oponthoud verliep de rit daarna vlotter, ook op de Brusselse Ring, maar toen ik op de A12 in Breendonk was stond ik opnieuw in een file. Een digitaal verkeersbord gaf aan dat het nog 38 minuten duurde om de Antwerpse ring te bereiken. Pas na de Antwerpse Ring kon ik goed doorrijden. Op de Nederlandse autosnelwegen mag men na 19u 130 km/u rijden, overdag slechts 100 km/u. Net voor het donker werd, rond 20u30 arriveerde ik in het hotel. De auto bleef op de parking achter het hotel tot ik terugkwam van de reis. Er stonden honderden wagens geparkeerd. De volgende ochtend nam ik om 7u20 de shuttlebus naar de luchthaven.

 

Zaterdag 26 april 2025

Na even zoeken vond ik het afgesproken ontmoetingspunt (Terminal 2 poort F). Net op het afgesproken uur (7u40), maar er was niemand te zien. Ik vond dat wel raar. Even later kwam Brecht eraan. De groep die eerder met een busje was aangekomen, arriveerde 40 minuten te vroeg en ze was een koffie gaan drinken. Brecht was naar het afspreekpunt gelopen om ons ook op te pikken. Twee andere reizigers waren iets te laat en dan was de hele groep compleet. Tijdens het inchecken bleek mijn koffer een kilo te zwaar. Ik haalde mijn telescoop eruit en koffer kon vertrekken. Ik had mijn fotorugzak op mijn rug en mijn Kite verrekijker, mijn computertas en mijn telescoop rond mijn nek – maar niemand deed moeilijk. Het inchecken ging snel en ook de inscheping verliep vlot, ondanks de drukte. We vlogen met een oude Boeing 737-700 en duurde 4 uur en 20 minuten en ging niet over Oekraïne zoals vermeld in de brochure van Georgian Airlines, maar zuidelijker over de Zwarte Zee. Achter mij zaten drie franssprekende passagiers. De man achter mij, vrij groot van gestalte, vroeg me om de leuning van mijn stoel niet te laten zakken omdat hij er dan niet meer tussen kon. Ik heb dus de hele reis rechtop gezeten. Aan boord kregen we een tas koffie. Alle andere consumpties waren betalend. Gelukkig had ik vier boterhammen met een omelet van thuis meegebracht. De landing was perfect. De paspoortcontrole ging vlot en vonden onze koffers meteen terug (altijd een mooi moment). Georgië is twee uur later dan Brussel. Twee Toyota’s stonden voor ons klaar, een witte en een zwarte. Ik nam plaats in de zwarte. Er was maar net genoeg plaats voor de koffers en de plaats op de achterbank was krap voor drie reizigers. We reden naar hotel Kopala gelegen op ongeveer 15 km van de luchthaven in het oude stadgedeelte op de linkeroever van de rivier Koera. Het is een oud hotel met oud meubilair. Er was wel een koelkast, de enige op de kamer tijdens deze reis, met erin twee kleine flesjes mineraalwater. Onze kamers lagen twee verdiepingen onder de receptie en er was geen lift. Naar het restaurant op de derde verdieping, kon gelukkig wel met een kleine lift. Het dakrestaurant is groot en ze hadden een tafel klaargezet voor de hele groep. Het hotel was gekend voor het prachtige uitzicht over de stad vanuit het restaurant. Het was ondertussen donker geworden en we konden “Tbilisi by Night” bewonderen. Het avondmaal was “Georgisch”: allerlei kleine schoteltjes met speciale bereidingen en dat viel best mee. Er was goed, koud bier (500 ml) en ook goede witte en rode wijn. Tijdens het avondmaal begon het te regenen en we moesten de tafel verschuiven om niet nat te worden. Na het avondmaal gingen we naar onze kamer, onder de (goed warme) douche en in bed ondanks het uurverschil met België waar het maar 21u was.

Vlucht van Schiphol naar Tbilisi. In werkelijkheid vlogen we niet over Oekraïne maar zuidelijker over de Zwarte Zee. © Jan Heip
We waren vertrokken. © Jan Heip
Kaart van Georgië © Jan Heip
Aankomst op de luchthaven van Tbilisi – onze witte en zwarte Toyota Landcruisers. © Jan Heip
Tbilisi by night vanuit het restaurant van hotel Kopala. © Jan Heip
Hotel Kopala (foto van de volgende dag 27 april). © Jan Heip

Zondag 27 april 2025

Van Tbilisi naar Kazbegi (na het bezoek aan het dennenbos). © Jan Heip

We hadden afgesproken om 6u30 voor een ochtendwandeling door het oude staddeel van Tbilisi voor het ontbijt. Men had me verteld dat het nachtlawaai (met soms luide drums) pas ophield in de vroege ochtend, maar ik heb er niets van gemerkt. Buiten, vlakbij het hotel zagen we een koppel palmtortels, de enige waarneming van deze reis. We daalden af naar het Rikepark en zagen daar groenlingen, een andere ondersoort dan bij ons (Chloris chloris bilkevitchi), distelvinken (door de Nederlanders putters genoemd), ook een andere ondersoort (Carduelis carduelis colchica), merel (Turdus merula aterrimus), bonte kraai (Corvus corone sharpii), raaf, huismus, spreeuw (Sturnus vulgaris caucasicus) en Turkse tortels. Er vlogen veel gierzwaluwen boven de stad. Die waren daar dus al aangekomen. In Ninove nog niet toen ik vertrok. Ook boerenzwaluwen waren talrijk, waarschijnlijk waren dat vooral trekvogels. Er liepen veel honden in het park en er lag een man te slapen op een bank. Een dakloze of iemand die na een nachtje uit niet meer naar huis kon? We bereikten de Koera rivier. Die ontspringt in Oost-Anatolië en wordt daar Koera genoemd, breekt door kleine Kaukasus en wordt in Georgië Mtkvari genoemd. De rivier stroomt over de grens naar Azerbeidzjan en mondt uit in de Kaspische zee. De rivier is 1 550 km lang. Over de moderne, mooie S-vormige voetgangersbrug (de Brug van de Vrede) kwamen we op de rechteroever in het oude stadscentrum. Veel ouds bleef er niet over want bijna alle huizen waren recent gebouwd, nog een beetje in de “oude” stijl met uitstekende, gesloten erkers die vroeger van hout gemaakt werden en tegenwoordig in beton. Er was ook veel afbraak bezig om alles mooi, nieuw en comfortabel te maken en dus werden de oude gebouwen gesloopt. De straatjes in de oude stad waren smal en hier en daar moesten we zelfs over een voetgangerstrap. We keken neer op de platte daken daken van de oude gebouwen waarin warmwaterbaden nog altijd functioneren. De aanwezigheid van warmwater bronnen was de oorspronkelijke reden om de stad te stichten in het jaar 455. We passeerden een brug over een kleine (iets vervuilde) beek waar toch nog een koppel waterspreeuwen in leefden. In de Kaukasus is het een lokale ondersoort: Cinclus cinclus caucasicus. Er zat ook een koppel grote gele kwikstaarten op de oever van de beek die hun uitgevlogen jongen voederden. We bereikten de Koera terug  en die was breed en stroomde snel. Allicht was de smeltende sneeuw daarvoor verantwoordelijk. Er dreef ook te veel afval in.

De Koera rivier. © Jan Heip
Er waren (nog) veel huismussen in de stad. © Jan Heip

We liepen langs de rivier naast een zeer drukke ringweg naar de reigerkolonie aan de overkant van het water. De baan was afgezet met platanen die volop hun pollen loslieten in de sterke wind. Sommige mensen begonnen ervan te niezen. In de kolonie reigers zagen we kleine zilverreigers, koereigers en opvallend veel kwakken. Over de rivier vlogen aalscholvers en langs de oever vlogen oeverlopers. Er waren geen meeuwen te zien. We keerden terug, staken de rivier weer over en liepen naar het hotel. Na het uitstekende ontbijt met goede koffie (alleen de zoute, zure Georgische kaas vond ik wat minder) laadden we onze bagage weer in de Toyota’s. Ik nam weer plaats in de zwarte Toyota. Pieter Schelfhout was onze chauffeur en zijn partner Eefje Verbeek nam plaats naast hem. Brecht vroeg ons dagelijks van plaats te wisselen – zo stond het ook in de reisetiquette van STARLING reizen. Naast mij zaten Willy Lissens en zijn echtgenote Elvire Van Assche, een scheikundige en een biologe die voor hun pensionering gewerkt hadden in het Laboratorium voor Menselijke Genetica van het AZ-VUB bij Dr. Inge Libaers. Van de tien deelnemers aan deze reis waren er vijf die iets met het AZ-VUB (nu UZ-Brussel) te maken hadden.

De Koera rivier in Tbilisi. © Jan Heip

We reden eerst in de tegenovergestelde richting van ons einddoel Kazbegi, omdat we in een dennenwoud op ongeveer 30 km van Tbilisi enkele specifieke vogelsoorten wilden zien. Die zoektocht was een succes. Toen we er aankwamen zong en baltste er een boompieper en vloog een grote lijster weg. In het bos troffen we een groene fitis (Phylloscopus nitidus) aan te herkennen aan het duidelijke gele vleugelstreepje, de mosgroene kleur en een brede gele wenkbrauwstreep en de roep, die ik niet kende, maar Brecht wel. We zagen deze soort eerder in India, helemaal in het zuiden (Kerala) tot waar ze overwinteren.

De reigerkolonie op de rechteroever van de Koerarivier. Kwakken en koereigers. © Jan Heip
Terugkomst uit het dennenbos waar we de Turkse boomklever zagen. © Jan Heip

Ik zag ook kort een zwarte specht. Onze doelsoort was de Turkse boomklever en die vonden we er ook. Iedereen heeft de vogel goed kunnen zien. Voor meerdere deelnemers van onze groep was dat de eerste keer. Ik zag de soort eerder op Lesbos en ook in Turkije, hier was hij mooi te zien. Met de verrekijker dan en zonder foto. Het was te donker in het bos om goede foto’s te maken. We moesten terugrijden naar Tbilisi en daar bleek het lastig want zelfs op zondag was het verkeer er chaotisch. Indrukwekkend was ook de doodsverachting en de snelheid die sommige chauffeurs hadden om zich door het verkeer te wringen. Zo zagen we er één die op het meest linkse rijstrook ging staan en toen het licht groen werd naar rechts afdraaide voor de wagens van de twee andere rijstroken. Ik zag drie halsbandparkieten over de weg vliegen naar een park. Die soort is dus ook in Tbilisi aanwezig. De enige weg naar het noordoosten is de Militaire Weg en die is aangelegd in de vroege 19de eeuw. Nochtans werd het pad al vele eeuwen daarvoor gebruikt om handel te drijven en oorlog te voeren. De route loopt ten oosten van Zuid-Ossetië, een provincie van Georgië die in 2008 door de expansieve Russen bezet werd (zoals ook gebeurde met Abchasië aan de Zwarte Zee). Bijna al het wegverkeer met Rusland en zelfs met Centraal Azië passeert over deze weg. We zagen vrachtwagens met nummerplaten van meerdere landen die vroeger de USSR vormden. De opleggers waren dikwijls afgeschreven exemplaren van de Benelux of Duitsland met opschriften die we allemaal ooit eerder zagen. Langs de weg zagen we een eindeloze rij en winkeltjes waar men van alles verkocht. Naarmate we verder reden begon de weg te stijgen. We hielden halt aan het uitgestrekte Zhinvali stuwmeer,aan een van de zijarmen van dat meer. Het bos van Ananuri is een plaats waar de Balkanvliegenvanger zou broeden. Deze vliegenvanger lijkt op een bonte vliegenvanger maar heeft een onvolledige witte halsring (Semi-collared Flycatcher). We daalden af met onze picknick (klaargemaakt door het hotel) op een zeer steile helling in het beukenbos dat al goed in blad stond. Het was er moeilijk en de meeste reisgezellen zaten achter een boom of op een klein min of meer horizontaal stuk. Ondanks het afspelen van het geluid kwam er geen vliegenvanger in het vizier. Een doelsoort gemist. Misschien zaten ze nog in Afrika. We zagen enkel een pimpelmees en sommige deelnemers hoorden (en zagen?) appelvinken. We reden verder en de weg werd steiler. We kwamen in Gudauri, lang geleden een gehucht met een postkantoor en nu een redelijk nieuw skioord met alles erop en eraan behalve sneeuwvinken. Er waren uiteraard skiliften, maar die functioneerden niet meer: het skiseizoen was al voorbij. We zijn er gestopt om in een winkel wat water en cola te kopen. Iets verder kwamen we aan een groot, cirkelvormig monument gebouwd in 1983, waar ik in juli 1988 ook was. Het was een ode aan de eeuwigdurende vriendschap tussen het Russische en het Georgische volk en herinnert aan het verdrag van Georgiejevsk uit 1783. Daardoor werd Georgië een Russisch protectoraat. Ik betwijfel of de Georgiërs nu nog in die eeuwigdurende vriendschap geloven. Het monument op ligt op ongeveer 2 300 meter hoogte en het was er erg druk. Veel Georgiërs, Russen, Chinezen en Indiërs waren er te zien. Er lag ook veel afval op en naast de paden. Aan een kant hadden we een goed zicht over de diepe vallei en daar zat een mannetje beflijster, ook een lokale ondersoort (Turdus torquatus amicorum). De witte kwikstaart die we overal zagen was ook een andere ondersoort (Motacilla alba dukhunensis) dan bij ons, gekenmerkt door de brede witte randen aan de vleugelveren. Ook alpenkauw en alpenkraai waren er te zien alsook een vale gier en een torenvalk. De alpenkraai in de Kaukasus is een andere ondersoort (Pyrrhocorax pyrrhocorax docilis), de alpenkauw echter is identiek aan de vogels in West- en Zuid-Europa. Er vlogen ook twee lammergieren van de ondersoort (Gypaetus barbatus aureus)  voorbij, altijd imposante vogels. Wat we niet zagen waren sneeuwvinken (waar waren die?), alpenheggemus en rotskruiper, ook bewoners van gebieden tot boven de boomgrens. We reden over de Jvaripas (ook Dzjvaripas – 2 379 meter), het hoogste punt van de Militaire Weg.

Het monument van de eeuwige vriendschap tussen de Russen en de Georgiërs uit 1983. © Jan Heip
Binnenkant van het monument – let op de data. © Jan Heip
Agfa diapositief van sneeuwvinken in de Kaukasus op een bergpas (Jvaripas?) in juli 1988. © Jan Heip

Ik herinner me uit 1988 een bergpas waar een rij houten kiosken stond waar tientallen sneeuwvinken rondhuppelden. We hebben die zelfs stukjes brood gevoederd. Alsof het mussen waren. En dat was niet in de winter maar in juli. Waar zijn die vogels nu gebleven? We konden niet parkeren op de pas  omdat de kleine parking aan de andere kant van de weg volstond met auto’s. Maar eens over de pas stond er een lange file stil en wij dus ook. Vermoedelijk waren er twee camions en/of autobussen in de verder gelegen smalle tunnel geraakt die elkaar niet konden passeren en kon of wou er geen één vooruit of achteruit. De file was zeker meer dan drie kilometer lang en verdween achter de volgende bocht. Ik maakte van de nood een deugd, pakte mijn verrekijker en mijn 200 mm lens en liep te voet de file af voor een kleine kilometer. Daar voorbij lag de sneeuw tot op de weg en zaten er geen vogels meer langs de kant. Ik zag (en fotografeerde) er een kuifleeuwerik, van de ondersoort Galerida cristata subtaurica, tapuit, waterpiepers en strandleeuweriken. Er was een trek van boerenzwaluwen. De strandleeuweriken zaten dichtbij, maar de meesten liepen achter de helling zodat ik hun poten niet zag. Waterpiepers waren schuwer dan de strandleeuweriken. Ze vlogen van ver al weg. De Kaukasisiche strandleeuwerik is (nog steeds) een aparte ondersoort van de strandleeuwerik (Eremphila alpestris penicillata (ANWB p. 267). De witte keel is geheel met zwart omrand in tegenstelling tot de ondersoort uit Scandinavië die soms nog aan onze kust te vinden is. De keel van deze strandleeuwerik is eerder geel en de zwarte keelband reikt niet tot aan de kop. Er kwam beweging in de file na een goed uur en ik was net op tijd terug aan onze auto. Opvallend was dat er geen verkeer meer kwam uit de tegenovergestelde richting waarna tientallen auto’s uit onze file reden, al de andere auto’s voorbijstaken om zich op het einde van de file er weer in te wringen: Georgische verkeershoffelijkheid, maar het kunnen ook Russen geweest zijn. We zijn toch even gestopt omdat we onze eerste kleine klapekster zagen en dat bleken er zelfs drie te zijn. Deze vogels waren waarschijnlijk op trek. Deze klauwier doet het heel slecht in het meest westelijk gebied van zijn verspreiding. In Spanje was er nog één gebied waar ze te vinden waren, momenteel zitten er geen meer. In Frankrijk is het al niet veel beter. Maar in Georgië leven er nog veel. Ook de zwarte roodstaart werd gezien. Ik heb er helaas geen foto van. De donkere ondersoort van Turkije en de Kaukasus is de nominaat (Phoenicurus ochruros ochruros). De West-Europese ondersoort is ssp. gibraltariensis. In Spanje leeft er nog een andere ondersoort.

Witte kwikstaart – Motacilla alba dukhunensis – let op de witte randen van de vleugelveren. © Jan Heip
Alpenkraai © Jan Heip
Kaukasische strandleeuwerik is een ondersoort van onze strandleeuwerik. © Jan Heip

Een politiepatrouille maande ons aan om verder te rijden. We zijn door twee smalle tunnels gereden. De eerste had een cirkelvormig gewelf zodat hoge vrachtwagens of bussen meer naar het midden moesten rijden met alle gevolgen van dien. Voorbij de laatste tunnel stond een lange file vrachtwagens aan de overkant tegengehouden door politie tot ze later in konvooi door de tunnel mochten rijden. Toen we het dorp Kazbegi (Stepantsminda) inreden was het ongeveer 18u30. Ons hotel, Alpine Lounge Boutique Hotel, heeft volgens Booking.com drie sterren. Het zullen allicht Georgische hotelsterren zijn. Iemand vertelde dat het hotel recent gekocht was door Chinezen. Er komen steeds meer Chinese toeristen naar Georgië en ze hebben nu geen visum meer nodig en ze komen dus in dichte drommen. Er zijn meer dan 30 verblijfplaatsen in het stadje wat toont dat het momenteel een vooral een toeristische trekpleister is. Het eten was in orde (Georgiaans) en het bier en de wijn waren zoals overal in dit land prima. Na een goed avondmaal en de checklijst waren we na een warme douche snel in bed.

Maandag 28 april 2025

De grote roodmus (Carpodactus rubicilla) is een opvallend grote vinkachtige die leeft hoog boven de boomgrens (2 500 – 3 000 meter) maar in de winter, als er een dik pak sneeuw ligt, naar beneden komt en dan zelfs rond het stadje Kazbegi te zien is. Maar om één of andere duistere reden hadden deze vogels beslist dat ze in 2025 boven zouden blijven en er werd geen enkel exemplaar opgemerkt rond Kazbegi sinds de maand februari. Misschien een gevolg van klimaatopwarming? In ieder geval konden we het vergeten deze belangrijke soort op ons lijstje te schrijven, wat uiteraard spijtig is. Ik heb ze in mei 2008 in Kazakhstan (Altaigebergte) gezocht tijdens een reis van Natuurpunt Denderstreek, zonder succes. Na een rustige nacht zouden we om kwart voor zes vertrekken om twee andere doelsoorten te zoeken namelijk het Kaukasisch berghoen en het Kaukasisch korhoen. Maar de wolken hingen te laag in de vallei en er was van de bergflanken geen meter te zien. Onze doelsoorten zaten hoger dan die mist. Daarom vertrokken we pas omstreeks 8u. Het was bitterkoud, waarschijnlijk enkele graden onder nul. Het gras in de weide was bedekt met rijp. De koude wind blies uit het noorden zodat in mijn groene donsvest goed kon gebruiken onder mijn fleece. We reden een klein stukje tot we het stadje uit waren en liepen daarna nog 200 meter door een weide naar de voet van de bergen.

Waterpieper in een berijmde weide. © Jan Heip

Daar kwamen we aan een hek in de omheining en omdat het gesloten was, moesten we een kleine beek oversteken. Dat lukte met wat moeite en zonder natte voeten. Verder, in de eerste berken zagen we een grote groepje roodvoorhoofdkanaries (Serinus pussilus), voor de meesten onder ons een nieuwe soort. Het zijn donkere, kleine kanaries met een gevorkte staart, een oranjegele stuit, bruin met dikke zwarte vlekken op de borst en de flanken, met een zwarte kop en een rood voorhoofd. Ik zag deze soort in juli 1988 op de Militaire Weg nabij de ruïnes van het fort van koningin Tamara. De ruïnes van het fort bevinden zich aan de linkerzijde van de Terekrivier niet ver van de Georgische grenspost. We zagen een koolmees. We zijn teruggekeerd naar ons hotel voor het ontbijt. Daarna reden we iets naar het noorden en stopten we bij een dam op de Terek met een klein stuwmeer. Er is een vistrap gebouwd in de betonnen constructie. Stroomafwaarts voorbij de dam is er een breed rivierdal met veel ondiep snelstromend water en veel keien. Daar foerageerde een koppel waterspreeuwen en we zagen ook een koppel grote gele kwikstaarten. In lagergelegen struweel zagen we ons eerste mannetje witkruinroodstaart (Phoenicurus erythrogaster), de eerste van deze reis. In tegenstelling tot de grote roodmus waren deze vogels nog niet verdwenen naar hoger gelegen gebied. Het is een prachtige, grote roodstaart met een geheel witte kruin en een zwarte kop en zwarte vleugels met een groot wit veld erin. De staart is geheel roestrood. De wijfjes zijn grauw maar hebben ook een roestrode staart. Even verder zagen we een wijfje sperwer van grote hoogte naar beneden duiken zoals een slechtvalk dat doet. Ze sloeg een vogel in de struiken vlak naast ons. We bereikten een plaats met een goed zicht op de onderkant van de berghelling. Die was begroeid met struiken en die stonden al in blad. Ik zag van ver enkele vinkachtigen omhoogvliegen en in de struiken verdwijnen. Ze hadden een zeer opvallende witte stuit. Het waren vermoedelijk goudvinken. Ann Brusselmans ontdekte een fazant op de helling. De fazant (Phasianius colchicus colchicus) is oorspronkelijk afkomstig uit Georgië. Colchis was de Griekse naam van het land aan de oostkust van de zwarte zee. Hier leefden de fazanten in het wild. De fazanten bij ons zijn echter een mengsel van andere (onder-)soorten waaronder torquatus een vorm met een witte halsband. Die zijn oorspronkelijk afkomstig uit China. Alle fazanten die in ons land leven, zijn mengsels van verschillende ondersoorten die bij ons gekweekt en losgelaten worden voor de jacht. Anns fazant werd gekozen als vogel van de dag, maar later kwam er een probleem: er zitten geen wilde fazanten in Kazbegi. Alhoewel het een fazant was zonder halsring werd aangenomen dat het dier toch uitgezet was. Het was een excursie die veel soorten opbracht: lammergier (adult), enkele vale gieren, zwarte wouw, eerstejaars steppenarend, enkele grijze gorzen en een grauwe gors.

Witkruinroodstaart © Jan Heip
Lammergier adult. © Jan Heip
Twee vale gieren © Jan Heip
Grijze gors, mannetje. © Jan Heip
Grauwe gors © Jan Heip

Na de lunch in het hotel reden we zuidwaarts. We kwamen voorbij een enorme werf waar Chinezen bezig waren een tunnel te boren om de Javaripas te vermijden. China voert zo’n grote projecten “sleutel op de deur” uit in het buitenland met eigen werkvolk en staat daarvoor ook leningen toe. Die moeten natuurlijk terugbetaald worden en dat is dikwijls de keerzijde van de medaille. We stopten iets voor het verlaten dorp Kobi, aan een plaats waar de rotskruiper voorkomt. Het betreft een bijna loodrechte hoge en lange rotswand die om de hoek verder liep. Er zitten horizontale basaltzuilen in wat me doet vermoeden dat die door de vorming van de berg horizontaal werden geplooid, maar oorspronkelijk uit vulkanische activiteit ontstonden. Een ideaal biotoop voor deze enigmatische vogel. We stonden er al een tijdje te kijken toen de rotskruiper verscheen en we deze vogel goed konden bewonderen. Dat was voor mij in de Pyreneeën in 2011 voor het laatst. Op veel plaatsen in Spanje waar de vogel vroeger te vinden was, is hij ondertussen verdwenen. Allicht omdat de vogel het er te warm vindt. Voor we vertrokken kon ik een Kaukasische (Vlaamse) gaai fotograferen.

Rotskruiper © Jan Heip
Rotskruiper © Jan Heip
Vlaamse gaai van de Kaukasus (Garulus glandarius krynicki). © Jan Heip

Een paar kilometer voorbij het dorp Kobi verlieten we de hoofdweg en reden de piste naar de Troeso (ook Truso-) vallei in. Die vallei is een typisch U-vormig gletsjerdal.  De grens met Zuid-Ossetië is vlakbij en die provincie van Georgië werd in augustus 2008 door de Russen bezet. We zagen op de piste veel waterpiepers en twee kleine plevieren.

Waterpieper in broedkleed (let op de zwarte poten). © Jan Heip
Kleine plevier – let op de gele oogring. © Jan Heip

We zochten in het verlaten dorp Nogkau naar de blauwe rotslijster, maar deze vogel kregen we niet te zien. Op het einde van de vallei wordt het dal smaller en kronkelt de piste door een kloof hoog op

Verlaten dorpen en ruïnes: de oorspronkelijke bevolking is naar Zuid-Ossetië verhuisd. © Jan Heip
Een nauwe kloof waar we helaas niet door konden rijden – de rivier is de Terek. © Jan Heip

op de bergflank naar beneden. Op een gegeven moment konden we echter niet verder omdat de piste geblokkeerd was door rotsblokken en iets verder ook door sneeuw. Terugdraaien met beide voertuigen op een smalle piste 40 meter boven de Terekrivier was gemakkelijker dan verwacht en onze beide chauffeurs (Pieter en Brecht) hadden er geen moeite mee.

De piste was versperd met keien en rotsen. © Jan Heip
Het verlaten dorp Nogkau met links de bomen van het kerkhof (nog niet in blad). © Jan Heip

We reden voorbij het dorp en op de verlaten akkers zagen we een groepje Turkse fraters. De frater van Turkije en de Kaukasus behoort tot een andere ondersoort (Linaria flavirostris brevirostris). De snavel is korter (brevi rostris) en ze hebben een lichtere kop dan de fraters die soms nog in Vlaanderen verschijnen tijdens de winter, bijvoorbeeld in het Zwin. We reden terug naar het hotel. Tijd voor het diner (goed verzorgd), de checklijst en daarna en verdiende nachtrust.

Turkse frater © Jan Heip

Dinsdag 29 april 2025

Toen we opstonden was er weer mist; eigenlijk waren het lage wolken. Iets later kwamen er gaten in de wolken en kwam er wat blauwe lucht tevoorschijn en zagen we de top van de Kazbek (5 047 meter) boven de onderliggende wolken. De Kazbek is was ooit een vulkaan.

De top van de Kasbek kwam even tussen de wolken tevoorschijn. © Jan Heip

De Mont Blanc is de hoogste berg van de Alpen met 4 808 m. De Elbroes is ook een uitgedoofde vulkaan, gelegen in Rusland nabij Georgië en bereikt 5 642 m. Het is de hoogste berg van Europa. We reden over een weg die ons boven Kazbegi bracht en wandelden zo’n 100 meter tot we op een goed punt kwamen waar we de bergflank goed konden overzien. Het duurde niet lang voor Brecht Kaukasische berghoenders in het vizier had. Ze zaten hoog, heel hoog en alleen door de telescoop konden we ze herkennen. Een foto was niet mogelijk. We hoorden ze ook roepen: hun geluid leek op de roep van een wulp. Ook de lager levende Kaukasische korhoenders werden snel opgemerkt. Ze zijn zwart en vallen op in de groene omgeving. Tussen de Kaukasische rododendrons leven ze, de berghoenders leven hoger, tussen de hoogste rotsen. We hebben korhoenders herkenbaar gefotografeerd, maar een goede foto was het niet: daarvoor zaten ze ook veel te ver. We bemerkten steenbokken, hoog in de bergen en zelfs op de richels. De mannetjes hadden grote, gekromde hoorns en de vrouwtjes – die in aparte groepen leven – niet. Het zijn Oost-Kaukasische toers (Capra cylindricornis). Ze leven in de Kaukasus in Rusland, Georgië en Azerbeidzjan. Ook een rode rotslijster liet zich goed zien en fotograferen. Dat was ook weer lang geleden en terugzien doet deugd. Ze leven ook in Spanje en trekken in de winter naar Afrika, ten zuiden van de Sahara. De blauwe rotslijster, die in lagergelegen gebied voorkomt dan de rode, is hoofdzakelijk een standvogel. Maar deze soort hebben we gemist.

Speurend naar Kaukasische berghoenders en Kaukasische korhoenders (Mireille en Geert). © Jan Heip
Oost-Kaukasische Toer – mannetje. © Jan Heip
Rode rotslijster © Jan Heip

Na het ontbijt reden we terug naar de voet van de bergflanken boven het hotel. Een mannetje witkruinroodstaart werd van dichtbij geobserveerd.

Witkruinroodstaart © Jan Heip

Op de flank van de berg zagen we nogmaals een Kaukasisch korhoen mannetje en vrouwtje. Veel te ver voor een goede foto, maar toch herkenbaar gefotografeerd. Het mannetje was aan het baltsen.

Een koppel Kaukasische korhoenders links vrouwtje – rechts mannetje. © Jan Heip

In de lucht een zestal vale gieren (die erg vroeg vliegen hier, de lucht is nog koud). Ook de lokale ondersoort van de heggenmus (Prunella modularis obscura) was daar te horen en te zien. Deze heggenmus is veel donkerder grijs dan de onze op de kop en op de buik. Ik heb er helaas geen foto van. Onze Nederlandse vrienden die de derde editie van Collins Bird Guide vertaalden, schrijven dat de ondersoort obscura sinds kort als aparte soort wordt beschouwd, althans toch al in Nederland. Als dat bevestigd wordt hebben we nog een nieuwe soort meer gezien. Om 9u zijn we gaan ontbijten en daarna hebben we nog een stevige wandeling gedaan in de buurt van het stadje. Die leverde niet veel nieuwe vogelsoorten op. Om 13 uur was het lunchtijd. Vanuit Stepantsminda (Kazbec) ziet men aan de voet van het Kazbec-massief een kerk: de kerk van Gereti gewijd aan de heilige drievuldigheid en gelegen op 2 170 meter hoogte. Wanneer die kerk gebouwd werd, weet men niet met zekerheid maar men denkt in de 14de of 15de eeuw. De weg naar het kerkje was al een tijdje geasfalteerd, maar bussen mogen niet naar boven omdat de haarspeldbochten te moeilijk zijn. Ze moeten halthouden op een grote parking waarna de toeristen met 4×4 busjes omhoog worden gereden. In het dal beneden de kerk stopten we even en wandelden op een zijpiste om de Kaukasische bergtjiftjaf (Phylloscopus lorenzii) te zoeken. Het is een bruine tjiftjaf met een witte wenkbrauwstreep en zwarte poten. De zang en de roep zijn anders dan bij onze tjiftjaf en die kende ik niet, maar onze gids Brecht wel. We vonden het vogeltje, lang genoeg om het zeker te herkennen, maar weer had ik geen foto. In 1988 in Nalcik (USSR) heb ik een zeer bruine tjiftjaf gezien, maar toen bestond de Kaukasische bergtjiftjaf nog niet.

Het kerkje van Gereti toegewijd aan de heilige drievuldigheid. © Jan Heip

Boven toen we op de parking stonden, had ik geen zin om van de parking naar de kerk te lopen (en terug) omdat het zwart van het volk zag (en dat op een weekdag!) waaronder veel Chinezen en Indiërs. De adders waar Brecht van sprak, zouden zich in zo’n omstandigheden allicht niet laten zien, als ze door al die drukte niet al lang geleden de omgeving verlaten hadden. Ook voor de dapperen die wel tot de kerk liepen en terug was het geen succes, want er waren plechtigheden (huwelijken) aan de gang en ze mochten de kerk niet binnen. We daalden opnieuw af tot net voor we aan de Militaire Weg kwamen. Daar bezochten we een klein bos (met oude populieren,) waar ze bezig waren om iets te bouwen en daarvoor al een reeks bomen hadden gekapt. Ik hoopte op een specht. Die zagen we niet, maar wel een boomkruiper die ik goed kon fotograferen en besloot dat het een taigaboomkruiper was (Certhia familiaris persica). Die ondersoort lijkt op de ondersoort die op Corsica aangetroffen wordt. Ik ben pas thuis nadat ik de foto’s kon bekijken tot dat besluit gekomen. De boomkruiper komt in Georgië voor, maar ik vermoed enkel in het westelijke gedeelte aan de Zwarte Zee, en niet in oostelijk Georgië, Oost-Turkije en Armenië. De vogel had een vrij korte snavel en lange klauwen. De witte oogstreep was redelijk opvallend. De vleugelstreep vertoonde een “verschoven trede” (zie detailfoto).

Taigaboomkruiper © Jan Heip
Taigaboomkruiper © Jan Heip

In hetzelfde bos kon ik een foto maken van een fitis. Er was nog tijd genoeg om over de militaire weg tot de grens met Rusland te rijden. We stopten toch nog even kort aan de stuwdam waar ik een waterspreeuw kon fotograferen. We kwamen aan de Georgische grenspost en stopten op de parking van het Dariali kloostercomplex. Vlakbij ligt de Georgische grenspost. Daar begint de Darjalkloof. De Russische grenspost is 3 kilometer verder. Het weer was ongunstig want lage wolken beperkten het zicht op de bergflank aan de overzijde van de rivier. Brecht deed het onwaarschijnlijke en spotte een bruine beer op de bergflank aan de andere kant van de vallei. Het was een grote, grijze beer (een mannetje?) en die was goed te volgen door de telescoop (maar te ver voor een foto). Het zou een ondersoort zijn: Ursus arctos syriacus. Hij verdween geregeld tussen de struiken of in de wolken. Iedereen zag het dier door de telescoop en iedereen was blij. Een bruine beer is iets anders dan een bruin vogeltje. Het was mijn eerste bruine beer. Al wat ik eerder had gezien waren sporen. Het is nooit te laat.

Fitis © Jan Heip
Kaukasische waterspreeuw wegvliegend met prooi. © Jan Heip
Het Dariali kloostercomplex – let op de oplegger van de vrachtwagen: die was ooit van de firma Diependaele. © Jan Heip

We zijn teruggereden over de militaire weg vol vrachtwagens en veel putten naar het hotel. ‘s Avonds aan tafel kregen we een goed diner en daarna werd de checklijst aangevuld. We bespraken ook het programma voor de volgende dag. De vogel van de dag was de bruine beer. Grappig.

Woensdag 30 april 2025

Van Kazbegi naar het Jandarimeer en daarna verder naar Udabno. © Jan Heip

Om 6 uur was ik op en om 7u vertrokken we voor de pre-ontbijt wandeling. We reden door het stadje Kazbegi en staken de Terekrivier over. Daarna parkeerden we en liepen langs de linkeroever van de rivier (stroomafwaarts). We hoopten wat kleine zangvogeltjes te vinden waarvan sommige op trek waren. Er vlogen al een tiental vale gieren door de vallei. Er was helaas weinig te zien. We zagen merel, zwartkop, oeverloper en waterspreeuw. Het begon te regenen, eerst motregen later meer en meer regen. Naarmate we terugkeerden naar het hotel werd de regen heviger. Het regende nog toen we vertrokken na het ontbijt. Het was zeer druk op de weg en we vorderden maar langzaam. Toen we aan de Javaripas kwamen was het aan het sneeuwen. We zagen strandleeuweriken vlak naast de weg zoals tijdens de heenreis, verder alpiene soorten zoals tapuit, waterpieper en zwarte roodstaart. We bereikten het vriendschapsmonument waar we even halthielden, maar weer geen alpenheggenmus te zien. We passeerden het skicentrum van Gudauri. Daarna daalden we af. We stopten even bij het kasteel van Ananuri, gebouwd in de 17de eeuw. Men kan dit kasteel bezoeken en genieten van de talrijke kraampjes vol Chinese prullaria, maar dat was blijkbaar niet aan ons besteed. Wel aan de talrijke Chinezen die er rondliepen. Er zat een gekraagde roodstaart, daar een andere ondersoort dan bij ons (Phoenicurus phoenicurus samamisicus). Die heeft een witte vlek op de vleugelveren. Ik ging naar de Toyota om de telelens te halen. Toen ik terugkwam was de vogel veel verder weggevlogen. Onze volgende stop was weer het fameuze bos van Ananuri aan een uitloper van het Shinvali stuwmeer waar de balkanvliegenvanger zou broeden, maar opnieuw geen spoor van deze vogel. Het had geregend en de bodem was nat. Niet ongevaarlijk met al die natte bladeren op de grond. Wat we wel hoorden en zagen was een kleine vliegenvanger (Ficedula parva). Bij dat vogeltje heeft het mannetje een rode keel en bovenborst. De vogel spreidde hij zijn staart uit. Die staart lijkt op die van een tapuit. De vogel liet ook zijn vleugels hangen en zette zijn staart daarna recht omhoog, zoals een winterkoning. Mooie waarneming, maar geen foto. We zagen er ook pimpelmees, zwartkop (mannetje en vrouwtje) en weer appelvinken.

Een gedeelte van het kasteel van Ananuri. © Jan Heip
Kijkend naar de gekraagde roodstaart: Mireille, Brecht, Willy, Ilse en Pieter. © Jan Heip
Op zoek naar vliegenvangers in het bos van Ananuri met een lokale straathond. © Jan Heip

Enkele honderden meter verder was een onverharde weg die naar een kerkhof leidde. In Georgische kerkhoven staan overal tafels met banken om te eten (en drinken) als de familie het graf van een afgestorvene bezoekt. Ook heeft elke grafzerk een rechtopstaand deel waarop een gegraveerd portret staat van de overleden persoon. We zaten er zeer rustig en comfortabel. Een scharrelaar kwam in een boom zitten, niet ver van ons. Onze eerste waarneming van die prachtige soort. Maar er zouden er nog veel volgen. Ook een braamsluiper werd gezien. Die vogel was aan het zingen hoog in een struik. Ons pad voerde ons terug naar Tbilisi, maar we reden niet door de stad, maar in een brede boog er omheen. We kwamen in een vlak landschap terecht en passeren de industriestad Roestavi. We zagen een enorme keten van staalfabrieken stammend uit de sovjettijd. Eén fabrieksschoorsteen werkte, er was dus nog activiteit. Ze maken o.a. stalen pijpleidingen voor de olieindustrie in Centraal Azië. Er stonden ook massa’s oude, niet meer gebruikte goederenwagens. In de top van een boom zat een schreeuwarend. Dat was allicht een doortrekker op weg naar het noorden. We zagen de vogel niet in de vlucht, maar het postuur, de lichtere kop, smalle broek en kleine snavel met allicht een rond neusgat. We reden langs een kanaal en daar zagen we zagen we op een hoopje vier Kaspische beekschildpadden (Mauremis caspica). In tegenstelling tot de Europese beekschildpad heeft de Kaspische longitudonale streepjes op zijn nek. We stopten bij een vrij groot, ondiep meer met veel riet aan de kant en daar zagen we de eerste soorten watervogels van deze reis: ralreiger, kleine zilverreiger, koereigersteltkluut, groenpootruiterkievitdodaars en twee woerden zomertaling. Een klein groepje vorkstaartplevieren vloog over ons. Overal vlogen er veel boerenzwaluwen  en huiszwaluwen rond, allicht de meesten op trek naar het noorden.

Comfortabele picknick op een kerkhof: Herman (staand), Mireille, Brecht, Elvire, Ilse, Ann, Eefje en Pieter. © Jan Heip
Schreeuwarend © Jan Heip
Kaspische beekschildpadden © Jan Heip
Ménétriés’ zwartkop – mannetje. © Jan Heip

We reden verder naar het Jandarimeer. In de struiken tussen lange rijen vijgcactussen zagen we de eerste groep Spaanse mussen, vooral wijfjes, maar ook meerdere adulte mannetjes in zomerkleed. Er zat ook een paapje. Deze soort hebben we meerdere keren gezien tijdens deze reis. Roodborsttapuiten in het geheel niet. We reden verder over een weide op een piste tot bijna aan de rand van het meer. De grens met Azerbeidzjan loopt dwars door het meer. We stapten uit de auto’s. Het was overweldigend. In de top van de struiken zagen we kleine klapeksters, roodkopklauwieren die behoren tot de ondersoort Lanius senator niloticus. Ook enkele grauwe klauwieren. Verder werden er ortolaan en zwartkopgros gezien. Aan de voet van een struik niet te ver van ons verscheen een mannetjes Ménétriés’ zwartkop. Goed waarneembaar voor iedereen en zelfs op de foto. De lokale ondersoort in Georgië is Sylvia mystacea mystacea (de nominaat), de Turkse en Midden-Oosten ondersoort is Sylvia mystacea rubescens. Men moet ver naar het oosten van Turkije reizen om die te zien. Ik zag deze soort voor het eerst in 1987 in de vallei van de Eufraat. Ik hoorde een sprinkhaanzanger zingen, maar ik zag de vogel niet. We zagen ook enkele zwartkopmeeuwen.

We noteerden: Steltkluut, oeverloper, witgat, bosruiter, kemphaan, zwarte ruiter, blauwe reiger, purperreiger (vliegend), kleine zilverreiger, grote zilverreiger, koereiger, ralreiger, zwarte ibis, dwergaalscholver, witvleugelstern, witwangstern, visdief, lachstern, dwergstern, kokmeeuw,  hop en Armeense meeuw. Er zat gelukkig één adulte vogel en veel onvolwassen exemplaren. Ik kan niet met zekerheid bevestigen dat die onvolwassen meeuwen ook Armeense meeuwen waren. Maar de Armeense meeuw was een nieuwe soort (lifer) want die soort is een zeldzaamheid in Oman. Verder gierzwaluw, roek, boerenzwaluw, huiszwaluw en oeverzwaluw, ooievaar, slobeend en kuifeend (een koppel), bruine kiekendief, zwarte wouw (in de bomen naast het meer zat een flinke groep allicht op een slaapplaats). Aan de rand van het meer liep een Balkankwikstaart (Motacilla flava feldeggi), gekenmerkt door zijn zwarte bovenkop. De Nederlanders beschouwen alle gele kwikstaart ondersoorten als aparte soorten, ondanks dat er veel hybriden bekend zijn.

Balkankwikstaart © Jan Heip
Kleine klapekster © Jan Heip
Grauwe klauwier © Jan Heip
Ooievaar © Jan Heip
Twee vissers in een roeiboot. © Jan Heip
Adulte Armeense meeuw. © Jan Heip
Kortteenleeuwerik © Jan Heip

We konden echter niet lang blijven omdat het al zo laat was. Spijtig, want er was daar allicht nog veel meer te zien. Ons kort bezoek aan het meer leverde een mooie toename op voor onze vogellijst. We reden verder naar het stadje Udabno, ongeveer 30 km verder. Onderweg spotten we nog een kortteenleeuwerik (Alaudala brachydactila artemisiana) voorheen Calandrella brachydactila artemisiana. Die vogel liep over de piste. Het was al bij schemering en de foto is wat korreling, maar de determinatie was zeker o.a. wegens de ongestreepte borst en de lange tertials.  We kwamen aan bij de Oasis Club Cottages en werden verwelkomd door onze Poolse gastvrouw en gastheer met een rijk gevulde tafel voor het diner. Na de invulling van de checklijst gingen we naar onze bungalows. Het zijn zeven kleine bungalows op een rij met van voor een brede schuifdeur en een mooi zicht op de omgeving. Helaas was ik maar pas binnen of de stroom viel uit. Ik dacht dat het een algemene panne was, maar ik zag aan de overkant een huis met licht. Het probleem was dat alles nog opgeladen moest worden: horloge, iPhone, GPS en baterijen voor de fototoestellen.

Na het avondmaal werd de checklijst ingevuld: Ilse, Pieter en Eefje. © Jan Heip

Donderdag 1 mei 2025

Van Udabno naar het David Gareji kloostercomplex en terug en dan naar Dedoplistskaro. © Jan Heip

De volgende ochtend bleken er zelfs twee bungalows zonder stroom te zitten, waaronder de mijne. Ik ben dan mijn toestellen gaan opladen in Brechts bungalow en dat was OK voor enkele maar niet voor alles. De reservebatterijen van de fototoestellen hebben een langere oplaadtijd nodig. ‘s Ochtends voor het ontbijt maakten we een wandeling vanuit de B&B. Ik had de telelens niet mee. Ver moesten we niet lopen want de weiden zaten vol vogels. Wat een verschil met de bijna morsdode landbouwgebieden bij ons. Er was een belangrijke trek van boerenzwaluwen, allemaal noordelijk. We noteerden grauwe gors (veel), oostelijke blonde tapuit, kuifleeuwerik, grauwe vliegenvanger (de eerste en de enige van deze reis), gekraagde roodstaart mannetje, grauwe klauwier, tapuit, hop, kneu, duinpieper, veldleeuwerik (zingend hoog in de lucht), raven (een koppel), grote groepen spreeuwen, bijeneter, tjiftjaf, kleine vliegenvanger (nabij de huizen) en witte kwikstaart. We waren terug voordat het ontbijt geserveerd werd in een aparte ruimte van de B&B Oasis Club Cottages. Voldoende, maar geen drie sterren. Zo bestond de koffie uit heet water en een zakje oploskoffie. Maar we klaagden niet. Na het ontbijt vertrokken we. Ons doel was het David Gareji klooster. We reden door uitgestrekte graslanden. We vonden een doodgereden scheltopusik, de langste pootloze hagedis op aarde. Chauffeurs die zo’n dier zien, rijden er bewust over met het idee dat ze een slang hebben doodgereden. We stopten we even voor een koppel izabeltapuiten naast de piste. We noteerden zwarte wouw, vale gier, tapuit, oostelijke blonde tapuit, grauwe kiekendief (wijfje) en torenvalk. Een arendbuizerd werd gespot, zittend op een lage heuvelkam, maar te ver voor een goede foto. De vogel was bruin met een opvallend lichte kop en borst. Hij vloog niet weg en daardoor konden we het vliegbeeld niet zien. Het is moeilijk deze soort te onderscheiden van de steppebuizerd. Beide hebben een roze staart. Maar bij de steppebuizerd is er meestal een dunne, donkere band op de bovenstaart, bij de arendbuizerd er niet. De steppebuizerd is zeer talrijk in de winter in Oost- en Zuid-Afrika. De buizerd, de steppebuizerd en de arendbuizerd hebben verschillende kleden, van erg licht (bijna wit) tot zeer donker.

Izabeltapuit © Jan Heip

Onderweg zijn we nog even gestopt nabij een kleine vijver met in het midden planten, een soort biezen? We vonden geen dobbelsteenslang maar wel een kikkersoort: de Levantijnse meerkikker.

Een lokale veewachter komt ons even bekijken aan het vijvertje. © Jan Heip
Levantijnse meerkikker © Jan Heip

Er kwam ook een koeienhoeder voorbij op zijn paard die even bij ons bleef rondhangen. We zagen er een ortolaan en nog een oostelijke blonde tapuit. Vooral de ortolaan was mooi want deze gors is al een tijdje in ons land uitgestorven en doet het elders ook niet goed. In Spanje zijn ze nog wel enkele plaatsen te vinden, als men weet waar te zoeken. We zagen nog een wijfje grauwe kiekendief, allicht een trekvogel op weg naar het noorden. We trokken verder naar het David Gareji klooster.

Vrouwtje grauwe kiekendief © Jan Heip

Dit klooster ligt “in the middle of nowhere” vlak bij de Azerbeidzjaanse grens, te dichtbij, want men mag niet meer in de omgeving van het klooster vertoeven omdat de Azeri’s ruzie maken over de exacte plaats van de grenslijn. Het kerk-kloostercomplex werd gebouwd vanaf de 6de eeuw en bleef jarenlang een centrum van spirituele en geestelijke activiteit. Zelfs nu zijn er nog orthodoxe priesters en nonnen aanwezig. Er zijn veel bezoekers: Chinezen, Russen, Georgiërs en wij. Het complex bestaat niet alleen uit de hoofdkerk, maar ook uit honderden cellen, kerken, kapellen, refectoria en woonverblijven die uit de zandsteenrotsen zijn gehouwen. De omgeving is adembenemend mooi. De kerk van het klooster konden we niet bezoeken, maar rondlopen op de binnenkoer en een paar nissen kon wel. We zagen een eerste kalenderjaar steppearend (met de karakteristieke brede witte band op de vleugels – honderden gezien in Oman), ortolaan en kuifleeuwerik. Er vlogen veel gierzwaluwen rond, maar we zagen geen alpengierzwaluwen. Op de terugweg kwam daarbij nog de kalanderleeuwerik (2) en scharrelaar. We rekenden op rotsmus, rotszwaluw, blauwe rotslijster en eventueel rotskruiper, maar niets van dit alles. We zagen een monniksgier en nog een steppearend, beide niet te ver van ons langs vliegend. Naast de huismussen zat er op een muurtje een mannetje van een soort tapuit. Ik besloot eerst een oostelijke blonde tapuit, maar achteraf was er twijfel. Het zwart van de keel loopt door tot het zwart van de vleugels, terwijl er bij de oostelijke blonde tapuit een duidelijke witte kraag is. De blonde tapuit heeft meestal een zweem van okerkleurige tint en de tapuit op een muur van het klooster was spierwit. Helaas zagen we het staartpatroon niet (de vogel vloog niet weg) en ook niet de witte rug van de finsch’ tapuit of de zwarte rug van de bonte tapuit, die ik gelukkig al eerder zag in Turkije, respectievelijk in Oman. Brecht vertelde me later dat het een hybride zou kunnen zijn tussen de oostelijke blonde tapuit en de bonte tapuit (zie Brecht De Meulenaer “A wildlife Guide to Georgia” p. 56). De bonte tapuit hebben we tijdens onze reis niet gedetermineerd, maar werd wel waargenomen in de buurt van het klooster tijdens meerdere jaren in de maand mei (Wise Birding Holydays, Birding the Caucasus, 2023 en 2024).

Een koppel huismussen in een nis in de muur van het klooster. © Jan Heip
Bonte tapuit of een hybride tussen een oostelijke blonde tapuit en een bonte tapuit. © Jan Heip
Oostelijke blonde tapuit © Jan Heip
Grauwe franjepoot (mogelijk een wijfje in overgang naar broedkleed). © Jan Heip

We reden helemaal terug naar de Oasis Club voor de lunch en daarna vertrokken we voor een lange rit naar Dedoplistskaro waar we verwacht werden in de “Savanna Guesthouse & Tours”. We stopten even toen de weg aan beide kanten omgeven was met een meertje, links diep water (Sakhare meer?) en rechts ondiep met veel verdroogde plantenstengels (Kapatadze meer?). Aan de kant van het linker water herkenden we oeverloper, kleine plevier, kleine strandlopers, witgat en bosruiter. In het midden van het meer zwommen drie dunbekmeeuwen. In het rechtse water was een groepje kemphanen al zwemmend voedsel aan het zoeken. Er waren ook enkele grauwe franjepoten die ook rondzwommen. Grauwe franjepoten broeden in de Sub-Arctic van het hele holarctisch gebied. Er zijn echter maar enkele gebieden waar deze vogels op zee overwinteren. Een deel van de vogels uit het Noordelijk-Palearctisch gebied overwinteren in de Arabisch zee en de vogels die wij zagen waren op de terugweg van daar naar hun broedplaatsen ver noordelijk. Het schijnt dat sommige West-Palearctische populaties afkomstig bijvoorbeeld uit Schotland niet naar de Arabische zee vliegen maar over de Atlantische Oceaan tot Midden-Amerika, daar het land overvliegen en overwinteren in de Stille Oceaan rond de Galapagos eilanden en in de noordelijke Humboldtstroom. Daar zwemmen ook bijna al de grauwe franjepoten van Noord-Amerika in de winter. Tijdens onze reis naar de Galapagoseilanden in 1997 zaten er duizenden rond ons schip, zo ver we konden kijken. Er is een derde gebied in de Stille Oceaan waar vogels uit oostelijk Siberië en Arctisch Noord-Amerika in de winter vertoeven. Hoog boven het rechter water vloog een slangenarend. Die had een prooi gezien en dook naar beneden met zijn poten vooruit. Maar zijn duikvlucht mislukte want hij stopte zijn stootduik onderweg. Op de verste oever zat een koppel casarca’s en vloog een koppel bonte kraaien. Boven ons zong weer een veldleeuwerik hoog in de lucht. Tenslotte bemerkten we nog een zwarte ruiter, maar die was niet zo donker als de vorige, een watersnip, slapend met zijn bek onder een vleugel en een groepje van 25 overvliegende casarca’s.

Slangenarend © Jan Heip
Een groep van 25 casarca’s. © Jan Heip

Daarna stoppen we even bij een winkel om wat churchkhela te kopen. Dat is typisch Georgisch en bestaat uit een ketting van noten omringd door een ingedikt druivensap. Ik heb er niet van geproefd. Omstreeks halfzeven bereikten we Dedoplistskaro. De stad is modern en goed verlicht. Ik hoorde dat de vorige eerste minister uit deze stad afkomstig was en zijn best gedaan heeft om “zijn stad” te bevoordelen en te verlichten. Savanne Guesthouse & Tours is een complex met twee nieuwe houten bungalows en veel kamers binnen het grote huis.

Een winkel waar men Churchkhela verkocht en souvenirs (made in China). © Jan Heip

Het huisje was goed ingericht, maar de schuifdeur sluiten, lukte niet. Bij het avondmaal kochten we een fles rode Georgische wijn waarop een afbeelding stond van een mannetje grote zee-eend. Er zijn enkele geïsoleerde populaties in Turkije (3-4?), Georgië (1) en vroeger ook in Armenië waar deze eend broedt in meren tot op grote hoogte (3 000 m) en ook in oude ondergelopen vulkaankraters. Er is een actie bezig om de populatie van Georgië te redden want in Armenië (en Turkije?) zijn ze al uitgestorven. Na het avondmaal ging ik mee op de uitstap om de dwergooruil in het stadspark te zoeken. Toen we aankwamen hoorden we een dwergooruil al van ver roepen. Die roep ken ik al lang. Het duurde niet lang voor we de vogel zagen in de straal van onze sterke lampen. Ik had echter mijn telelens niet mee. Ik ben niet goed in vogelzang en geluiden omdat ik nooit iemand heb ontmoet die me daar iets over kon leren. Ik spreek over de tijd toen er nog geen cassettebandjes, CD’s of Apps waren. We hoorden de dwergooruil voor het eerst op een camping nabij de Camargue in 1969.

Fles rode wijn met een afbeelding van de grote zee-eend. © Jan Heip

Vrijdag 2 mei 2025

Van Dedoplistskaro naar het stuwmeer Dalis Mta. © Jan Heip

Geen ochtendexcursie op die dag en ontbijt om 8 uur. De weg was eerst een klein stuk in goede staat en daarna helemaal niet meer. Er is niets slechter dan een geasfalteerde weg die niet meer onderhouden wordt. Stukken overgebleven asfalt steken als tafelbergen boven de rest en de putten zijn diep en gevaarlijk. De Toyota’s kunnen dat wel aan, maar de passagiers ook? Elke dag achteraan zitten met drie was geen cadeau. Vooral de middelste persoon had het lastig want die had door de middenconsole de minste beenruimte. Maar we zijn er heelhuids en een beetje suf en stijf door geraakt. Gelukkig was er heel veel te zien gedurende die rit, maar ook dat verliep niet helemaal optimaal. De meest waarnemingen die we al rijdend deden op of langs de piste, waren voor de auto of aan de linkerkant ervan. Dat is logisch want Brecht reed met de eerste wagen. Hij is een uitstekend spotter en rijdt met open raam om ook te horen wat er zit. De communicatie tussen de wagens met de walkie-talkie was echter niet optimaal omdat de normale procedures voor afwisselende communicatie niet toegepast werden. Daarenboven zat ik achteraan aan de rechterkant en kon ik sommige waarnemingen niet zien omdat de linkerbuitenspiegel, de kop van Pieter of de deurstijl ertussen zaten.

Toch zagen we veel onderweg. Het klein grut was goed vertegenwoordigd: zwartkopgors, huismus, scharrelaar (talrijk), bijeneter (talrijk), een steenuil van de ondersoort Athena noctua inigena. Ook veel leeuweriken: kalanderleeuwerik, veldleeuwerik, kuifleeuwerik en korteenleeuwerik. Verder steppearend, arendbuizerd, slangenarend, steppebuizerd, bruine kiekendief en grauwe kiekendief (er werden geen steppekiekendieven gezien tijdens onze reis). Ook een keizerarend werd gespot, maar ver weg. Verder veel vale gieren, twee monniksgieren en een aasgier evenals een torenvalk, maar geen slechtvalk, laat staan een sakervalk. We zagen wel een rotsmus, goed herkenbaar aan zijn gelig vlekje op de keel en witte punten aan de buitenste staartveren.

Zwartkopgors man © Jan Heip
Huismus (mannetje) © Jan Heip
Scharrelaar © Jan Heip
Bijeneter © Jan Heip
Steenuil © Jan Heip
Kalanderleeuwerik © Jan Heip

Op de grond zat een arendbuizerd. De arendbuizerd vertoont een zeer variabel verenkleed van zeer licht tot zeer donker, maar de meeste exemplaren zijn bleek zoals deze vogel, die bleek was op de kop, de nek en de borst. Hij had een gele iris, een kenmerk van een juveniele vogel. Het was duidelijk een grote vogel, maar dat is niet te zien op de foto. Gelukkig vloog hij weg om iets verder weer te gaan zitten.

Arenbuizerd © Jan Heip
Vermoedelijk een arendbuizerd. © Jan Heip

We konden de vleugels goed zien. De lichtroze staart heeft onduidelijke dwarsbandjes, maar geen eindband zoals de meeste lichte steppebuizerds. De bovenste vleugeldekveren zijn ook roze. De handpennen vormen een witte vlek die gebandeerd is. De armpennen zijn donker.  De vogel heeft lange vleugels die bij zit ongeveer even ver reiken als het staarteinde. Er is een donkere, bruine broek. De ondervleugel heeft witte handpennen die zwarte toppen hebben en een zwarte vlek aan het vleugelgewricht.

Slangenarend © Jan Heip
Adulte aasgier © Jan Heip
Een lokale veehoeder. © Jan Heip

In dit gebied heeft Georgië een beperkte oliewinning. We zagen een gele jaknikker die echter niet meer knikte. Toen we het stuwmeer naderden zagen we een groot nest gebouwd op een hoogspanningsmast. Dat nest was van een koppel keizerarenden, maar die waren niet te zien. Vlak voor de dam opreden, zagen we een groepje Russische kauwen. In Georgië is dat een andere ondersoort dan bij ons namelijk Corvus monedula soemmerringii, te herkennen aan de opvallende witte vlek opzij aan de hals. Die leven ook in oordoost-Europa en worden soms als dwaalgast gezien in de lage landen. Er zat ook een roodkopklauwier. Toen we aankwamen op de dam van het stuwmeer gingen we lunchen. Het lunchpakket was klaargemaakt door onze B&B. We hoorden en zagen een groene specht. Ook dit was een andere ondersoort dan bij ons: Picus viridis karelini. Maar het beste moment kwam toen onze doelvogel zagen: de zwarte frankolijn (Francolinus francolinus). Die vogels hoort men roepen voor men ze ziet en dat hadden we ook voor: een luid trompetachtig herhaald geluid. Wij hadden geluk toen uit het met struiken begroeide gebied aan de voet van de dam, een roepend mannetje verscheen dat zich goed liet observeren door de telescoop. Net dicht genoeg voor een redelijke foto. Vele soorten frankolijns leven in Afrika of Azië. De zwarte frankolijn is de enige soort frankolijn in Europa. Men moet ervoor naar Zuidoost-Turkije gaan. De zwarte frankolijn komt ook voor op Cyprus, waar ik deze soort eerder zag. Aan het ander uiteinde van de dam stond een groot vierkantig gebouw waarvan de meest ruiten waren verdwenen. Het had alleszijn iets te maken met de regulatie van het debiet van het stuwmeer en niet met elektriciteitsopwekking want er waren geen hoogspanningsleidingen. In dat gebouw had een kolonie kleine torenvalken zich gevestigd. Ze zaten op de richels van de kapotte ramen of vlogen rond. Ik heb ze goed kunnen fotograferen. Kleine torenvalken hebben witgele klauwen, die van de gewone torenvalk zijn zwart. Mannetjes zijn gemakkelijk te herkennen, vrouwtjes verschillen bijna niet van die van de torenvalk.

Russische kauw © Jan Heip
Roodkopklauwier © Jan Heip
Het Dali stuwmeer (1986) gezien vanaf de dam. © Jan Heip
Zwarte frankolijn © Jan Heip
Gebouw aan de dam met talrijke gebroken vensters waarin een kleine torenvalkkolonie gevestigd was. © Jan Heip
Mannetje kleine torenvalk © Jan Heip
Mannetje kleine torenvalk © Jan Heip
Vrouwtje kleine torenvalk, moeilijk te onderscheiden van vrouwtje torenvalk – ze heeft ook witgele klauwen (diagnostisch). © Jan Heip

Onze excursie eindigde op Takti Tepha. Dit is een plaats waar modder, gas en wat olie uit de grond opborrelt. Het lijken wel mini vulkanen. De modder is echter niet zeer warm.

De moddererupties in Takti Tepha. © Jan Heip

Ook de terugtocht naar ons Guesthouse was een moeilijke tocht. Maar op een geven moment zag ik een mannetje zwarte frankolijn naast de weg lopen (of eerder koersen). We stopten en zagen dat het een koppel was. Ze verlieten de rand van struiken en ze staken de weg over. Ze bleven snel lopen maar vlogen toch op.

Mannetjes zwarte frankolijn gezien tijdens de terugweg bij verminderd licht. © Jan Heip

Na het avondmaal en de checklijst werd er toch een tweede zoektocht naar de dwergooruil georganiseerd. Deze keer had ik mijn telelens en statief wel mee. Ik kon enkele mooie foto’s maken van de dwergooruil.

Dwergooruil in het stadspark van Dedoplistskaro. © Jan Heip

Zaterdag 3 mei 2025

Kaart van Vlashlovani Nature Reserve en omgeving – de pijlen geven onze route aan. © Jan Heip

Die ochtend, om 6u30, voor het ontbijt zijn we met Brecht en een paar anderen niet ver van het stadje gaan zoeken naar een echte “wilde” fazant. Helaas voor Ann werd de fazant die ze in Kazbegi opmerkte als uitgezet beschouwd omdat er daar geen in het wild geen fazanten voorkomen. Voor we wegreden hoorde ik in een tuin een wielewaal. Ik zag de vogel wegvliegen. We reden een stuk uit de stad en stopten op een goede plaats. We stapten uit en wat zat er aan de overkant van de piste? Een mannetje fazant dichtbij – een die zeker niet uitgezet was. Maar noch Brecht noch ik waren klaar met het fotogerief en het dier liep weg de struiken in en verdween. Nooit wachten tot je ergens bent om je fotomateriaal klaar te maken. De volgende keer beter. Aan de andere kant was er een meertje waar we oeverloper, groenpootruiter en veel steltkluten zagen. Er kwam een sperwer overgevlogen. Ook eksters en spreeuwen werden er gezien. Terug naar het Savanne Guesthouse en na het ontbijt vertrokken we. We kregen zowel een lunchpakket als een avondmaal mee van het guesthouse. De koffers bleven achter. Die zouden we oppikken op de terugweg. Voor het ontbijt van de volgende ochtend moesten we zelf inkopen doen. We stopten bij een bakkerij voor verse broden. Enkele reisgenoten gingen de winkel binnen om de oven van de Bakker te bekijken. We zouden één nacht in een centrale bungalowkamp verblijven en hadden daarvoor slaapzakken gehuurd van het huis van het Nationaal Park in de stad. Daar was ook een klein museum. Aan de muur hing er een foto van een luipaard. Het was een mannetje (Perzisch ras) luipaard dat op meerdere keren en dat gedurende enkele jaren door wildcamera’s in het park was gefotografeerd. In Georgië lopen er momenteel geen meer rond. We zijn ook even gepasseerd in het kantoor van de grenspolitie. Nadat we het stadje verlaten hadden sloegen we af op een asfaltweg in zeer slecht staat. Dat was minder leuk voor de achterbankzitters. Na +/- 30 km sloegen we rechts af op een landbouwpiste en reden we ZZW tussen graangewassen.

In het Nationaal park administratiehuis hing een foto van een luipaard. © Jan Heip
Een deel van de medereizigers van links naar rechts: Willi, Elvire, Eefje, Ann, Mireille en Herman op het muurtje voor het huis van het reservaat. (Ilse, Pieter en Brecht mankeren). © Jan Heip

Weinig vogels waren er te zien, een zwartkopgors en roodkopklauwier en een slangenarend. Op de piste liep een Moorse landschildpad (Tesuda graeca). We bereikten de voet van de Datvis Kheven reden omhoog tot een uitkijkpunt waar we gingenlunchen. Het uitzicht wasindrukwekkend. We reden over dezelfde weg terug naar beneden en sloegen links af door een droog rivierbed in de Pantisara kloof naar de andere kant van het massief. Toen we een eindje te voet door het droge rivierdal liepen, riepen Pieter en Eefje dat ze een slang hadden gezien.

Op het uitkijkpunt: van links naar rechts: Ann, Ilse, Eefje, Pieter en Willy. © Jan Heip
Het uitzicht vanaf de uitkijkpost. © Jan Heip

Die slang was snel verdwenen in een struik. Pieter zei dat de slang zeker meer dan één meter lang was en polsdik. Ik wist niet wat ervan te denken. Een toornslang? Maar die zijn dunner, zelfs als ze lang zijn. Brecht en ik gingen onder de struik kijken en Brecht spotte de slang die in de struik naar omhoog aan het klimmen was. Brecht riep dat het een Levantijnse adder (Macrovipera lebetina) was.

Levantijnse adder © Jan Heip
Levantijnse adder – let op de houding: klaar om toe te slaan. © Jan Heip

Ik zag het indrukwekkend dier goed toen het omhoog kroop in de struik. Op de kop waren er veel kleine schildjes te zien. De verticale katachtige pupil bevestigde de diagnose van een adder evenals de stompe staart. De Levantijnse adder komt voor op enkele Griekse eilanden. Buiten Europa wordt de slang aangetroffen in Algerije en Tunesië, Turkije, het midden oosten en in geheel Centraal Azië tot in China. Op de Griekse eilanden blijft de soort klein (max. 80 cm) maar in het oosten kan de slang tot 1,50 m lang worden. Zoals we zelf constateerden kan deze slang in struiken klimmen. De Levantijnse adder wordt in zijn verspreidingsgebied als zeer gevaarlijk beschouwd en een beet kan zonder behandeling fataal zijn voor een volwassen persoon. Ik probeerde enkele goede foto’s te maken van de kop, maar er zat altijd wel een klein takje voor. Ik vond het de meest spectaculaire ontmoeting van de reis. We lieten de adder voor wat hij was en reden verder door de kloof. Toen zagen we op de rotswand onze eerste (en laatste) rotsklever.

Rotsklever © Jan Heip

Zo kwamen we aan de zuidelijke kant van het gebergte: het Eldari Laagland dat geen deel uitmaakt van het reservaat, maar wel een droge, dorre vlakte is waar geen landbouw meer wordt beoefend. Op een verlaten gebouw zat een roofvogel die vermoedelijk een buizerd was van de ondersoort steppebuizerd (Buteo buteo vulpinus), maar ook een donkere arendbuizerd was mogelijk. Dit toont aan hoe moeilijk het soms is deze twee soorten van elkaar te onderscheiden, vooral als ze niet vliegen. De steppebuizerd broedt in de taigabossen vanaf Finland tot Siberië. Hij migreert oostelijk van de Middellandse zee en is een zeer talrijke wintergast van Oost- tot Zuid-Afrika. De vogel lijkt op een arendbuizerd, maar is kleiner en donkerder. Het verschil is best te maken door het vluchtbeeld te herkennen, maar dit exemplaar bleef zitten. We zagen ook één bruine kiekendief en één schaapsherder met een kleine kudde schapen.

Steppebuizerd © Jan Heip
Op zoek naar de kropgazelle in de Eldarivlakte. © Jan Heip
Twee kropgazelles een wijfje (links)- en een mannetje (rechts met hoorns). © Jan Heip

Op de uitgestrekte vlakte van Eldari zochten we naar kropgazelles (Gazella subgutterosa). Bij deze soort dragen de mannetjes geringde, naar achter gebogen hoorns, de vrouwtjes dragen geen hoorn. De naam komt van de verdikking van de keel tijdens de bronstijd bij de mannetjes. De kropgazelle was in 1960 volledig uitgeroeid in Georgië, door verlies van woongebied, jacht en stroperij. Ook in Azerbeidzjan ging de populatie ook zienderogen achteruit. Toch bleven er nog voldoende exemplaren over om een deel ervan te vangen en los te laten in Vahlovani en de Eldari Lowlands. We zagen er eerst twee en één ervan was een mannetje (met hoorns). Ze zaten ver weg maar waren goed te zien door de telescoop, maar een goede foto was moeilijk. Later zagen er we nog enkele, veel dichterbij maar ik kon ze niet fotograferen vanuit de auto. Iets verder op ons pad zochten we naar de Heines kortteenleeuwerik Calandrella heinei, sinds kort Alaudala heinei. Dat was vroeger een kleine kortteenleeuwerik (Calandrella rufescens). Heines kortteenleeuwerik heeft een groot verspreidingsgebied in Turkije, over het zuiden van Georgië (waar we waren), het Midden-Oosten, Centraal Azië en zelfs Mongolië. Tijdens mijn reis naar Kazakstan in 2008 noteerden we de kleine kortteenleeuwerik op drie verschillende dagen. Het was toen de Calandrella rufescens heinei. Sindsdien is deze vogel in een ander genus (Alaudala) geplaatst en een volwaardige soort geworden. We zagen de Heines kortteenleeuwerik die opviel door de volgende kenmerken: een horizontale cirkelvormige baltsvlucht met opgerichte vleugels en zingend. Dat doen (bijna) al de kleine kortteenleeuweriken. We zagen dat de vogel een gespikkelde borst had. Het was dus een Heines kortteenleeuwerik, maar niet mijn eerste. De tweede vogel die we konden determineren was de roodkeelpieper (Anthus cervinus). Het is een kleinere pieper met een roodbruine kop (behalve de gestreepte kruin), keel en bij het mannetje ook de borst. De vogel heeft dikke, zwarte strepen op de flanken. De roodkeelpieper broedt in toendra in Noord-Europe en Siberië. We zagen een groep, maar ze waren schuw en vlogen snel en ver weg. Toch heb ik er één goed kunnen bekijken die dichtbij bleef zitten, maar ook te snel wegvloog voor de foto. Er was veel trek naar het noorden van zwaluwen, piepers en witte en gele kwikstaarten, waaronder zeker één Balkankwikstaart (feldegg). Ik had ook gehoopt nog eens een kleine trap te zien tijdens deze reis, maar dat lukte niet. Toch leek me het biotoop waar we waren, geschikt voor deze soort.

Een vrachtwagen uit de sovjettijd met allicht watertanks die niet meer gebruikt werd. © Jan Heip
Grensbord: alleen met een speciale toelating mag men verder. © Jan Heip

Op het einde van die piste kwamen we aan het politiecheckpunt waar de reispassen en de vergunningen werden nagekeken. Er was één klein probleem en dat was dat één nummerplaat van een Toyota niet overeenkwam met dat er op de documenten stond, maar uiteindelijk mochten we verder. Voor alle zones die te dicht liggen bij de Azerbeidzjaanse grens moet er een vergunning aangevraagd worden. Iets verder was er nog een controlepost, maar die hielden ons niet meer tegen. We draaiden naar het noordoosten en reden tegen zonsondergang de rustplaats “Centrale Bungalows” in. Daar stonden enkele tentjes en de bewoners ervan (die we al eerder waren tegengekomen) waren aan het barbecueën. Voor ons waren er vijf bungalows gereserveerd met ieder twee bedden. Er waren maar vijf bungalows en ik moest er één delen met Brecht. Er was geen elektriciteit, er was geen water, er was geen wc (laat staan een douche), er waren geen gordijnen en er waren geen slaapkussens.

Een van de vijf bungalows: vergane glorie. © Jan Heip

De elektriciteitsgroep stond te verroesten. We wisten op voorhand min of meer dat het zo zou zijn. De barbecue die we (vooral Brecht) organiseerden was echter uitstekend. Er was droog hout ter beschikking en de barbecue bestond uit vier lage muurtjes van 30 cm hoogte waartussen Brecht het vuur aanstak. Nadien ging ik slapen met als hoofdkussen enkele handdoeken van mij in mijn rijstzak geprest. Ik heb Brecht niet meer horen binnenkomen. Met mijn klein lichtje ben ik die nacht enkele keren buiten geweest om te plassen. Geen slang tegengekomen. De wc was dicht genageld. Ik had geen zin om te weten wat er nog van overbleef achter de deur. Ik heb toch goed geslapen en toen het licht werd (rond 5u30?) waren we beiden vroeg op. Er waren immers geen gordijnen.

Onze kamer in de “Central Bungalows”. © Jan Heip

Zondag 4 mei 2025

Na een tijdje was iedereen paraat en vertrokken we in de richting van de grens (zie kaart) en stopten aan het uitkijkpunt boven Mijnis Kure. Daar bevindt zich een camping aan de rivier Alazani. Die rivier vormt de grens tussen Georgië en Azerbeidzjan. We ontbeten daar. Een mannetje wielewaal vloog in de top van een dennenboom en bleef daar enige tijd zitten. Iedereen kon de vogel bewonderen, beeldvullend door de telescoop. De wielewaal is schuw, steeds zeldzamer in Vlaanderen en leeft hoog in de bomen. Die waarneming was dus uitzonderlijk. Er kwam ook een koppel Aziatische steenpatrijzen aangelopen die prompt opvlogen toen ze ons bemerkten en over de helling verdwenen om ergens beneden te landen. Het betreft de ondersoort Alectoris chukar kurdestanica. Tijdens ons verblijf vloog een vale gier voorbij en ook een keizerarend, maar die was weer te ver. Distelvink en grijze gors waren er ook te zien.

Uskaheli uitkijkpunt (Mijnis Kure). © Jan Heip

We reden terug, met de dertigers vooraan en de zeventigplussers achteraan in de Toyota. We passeerden opnieuw de “Central Bungalows” en reden in noordelijke richting naar de centrale in/uitgang van het park. Iets later kwamen we een rosse waaierstaart tegen. De eerste en de enige van de reis. Het betreft de ondersoort Cercotrichas galactotes familiaris. De Spaanse en Noord-Afrikaanse vorm (de nominaat) is warm bruin. De ondersoort syriaca komt voor in Griekenland en in Zuid- en Centraal Turkije en is grijs zoals ook de ondersoort familiaris in Oost-Turkije, Transkaukasus en verder oostelijk. Op een plaats met vrij dikke bomen zagen we onze eerste Syrische bonte specht van deze reis. We zagen de soort in mei 1987 in Turkije. Een mannetje dat zoals de grote bonte specht een rood achterhoofd heeft, de wijfjes van beide soorten hebben een geheel zwarte kruin. Er is geen zwarte verbindingslijn tussen de zwarte strepen op de onderkant van de kop en de nek in tegenstelling tot de grote bonte specht en dit is het beste diagnostische kenmerk van de Syrische bonte specht.

Wielewaal mannetje © Jan Heip
Syrische bonte specht © Jan Heip

In dezelfde omgeving met tamarisken in een droog rivierbed, zag ik een oostelijke vale spotvogel van de ondersoort Iduna pallida tamariceti. Het meest karakteristieke kenmerk van deze vogel is dat hij geregeld met zijn staart naar beneden slaat, wat hij tijdens deze ontmoeting niet deed. De oostelijke vale spotvogel lijkt op een kleine karekiet meer is grijzig en niet bruin, heeft geen roodbruine rug en bovenstaart zoals de kleine karekiet en leeft in struiken en niet in riet. De snavel is breed en afgeplat. Er is een witte wenkbrauwstreep die iets doorloopt achter het oog. Er is ook een dunne witte oogring. Op dezelfde plaats zagen we eindelijk een klein groepje roze spreeuwen, zowel mannetjes als wijfjes.

Oostelijke vale spotvogel. © Jan Heip
Roze spreeuw © Jan Heip

We reden verder tot de uitgang van het park en zagen onderweg nog twee kleine plevieren op de piste, een tweede Syrische bonte specht op de grond (op zoek naar mieren?), kuifleeuwerik (algemeen), kleine klapekster en grauwe klauwier, ekster, spreeuwen en Russische kauwen. Twee paapjes en een overvliegende lachstern werden al een flink stuk verder opgemerkt.

Kleine plevier © Jan Heip
Syrische bonte specht op de grond op zoek naar mieren? © Jan Heip
Kuifleeuwerik © Jan Heip
Kleine klapekster © Jan Heip
Grauwe klauwier mannetje © Jan Heip

Eens daar voorbij kwamen we terug in uitgestrekt landbouwgebied. Ik twijfel of daar nog kleine trappen te vinden waren. We arriveerden in het gehucht Kasritskali. Daar was een vijver helemaal afgezet met een hoog hek. Er vlogen veel boerenzwaluwen, een hop en aan de rand van het water zagen we nog een Kaspische beekschildpad. We bezochten ook nog een rietveld aan een rivier waar we de grote karekiet hoorden zingen en kort zagen. Daarna koos Brecht ervoor om niet over de verhakkelde weg te rijden, maar op smalle, rechte pistes langs de velden die veel beter berijdbaar waren. Een opluchting voor onze getergde ruggen. We kwamen terug in Dedoplistskado waar we de slaapzakken terugbrachten in het huis van het reservaat en naar de B&B reden om onze koffers op te halen. Daar kregen we het bericht dat er een groene bijeneter was gespot nabij het Kochebimeer ten zuidoosten van de stad – waar we een uur eerder langsgereden waren zonder te stoppen. We reden er terug naartoe en we hebben een stuk van de omgeving langs het meer gezocht naar die vogel, zonder succes. Er zwommen wel veel meerkoeten in het ondiepe meer en er vlogen ook houtduiven rond. We kochten koeken en kaasgevulde ronde broden en reden naar de Eagle Gorge Trail. Het weer was miezerig. Op de muur van de parking werd geluncht. Er vloog een lichte fase dwergarend  over, we hoorden er een nachtegaal zingen en we zagen zowel de kleine klapekster als de roodkopklauwier en de grauwe klauwier. Daarna liepen we op het pad naar omhoog. Ik had mijn telelens niet mee, dat vond ik te lastig. Boven, niet ver van de uitkijkplaats, zong een boomleeuwerik. We zagen er vale gieren en twee zwarte ooievaars vliegen. Een mooie afsluiter van deze reis.  Van daar reden we naar Tbilisi en het laatste stuk warempel over een autostrade. We reden terug naar hotel Kopala. Opnieuw naar een kamer twee verdiepingen onder de receptie zonder lift. Het afscheidsdiner was uitstekend (Georgisch), maar ik ken nog altijd geen namen van de typische gerechten. Het was al laat toen we naar bed gingen voor een kort nachtje. Vertrek om 4u.

Lunch op de parking van de Eagle Gorge. © Jan Heip
Ilse en Willy in het dakrestaurant van hotel Kopala. © Jan Heip
Geert, Pieter en Eefje in het dakrestaurant van hotel Kopala. © Jan Heip

5 mei 2025

De wekker ging om 3u40. Mijn koffer en al de rest twee verdiepingen omhoog sleuren vond ik lastig. Brecht heeft de koffer voor me een flink stuk omhoog gebracht. Om vier uur stonden we allemaal bepakt en bezakt aan de receptie en werden de Toyota’s ingeladen. De rit naar de luchthaven duurde niet lang en het verkeer was nog kalm. Wel was het nog donker. De verhuurders van de Toyota’s stonden al te wachten op de parking van het vliegveld om de wagens en Brecht terug naar Tbilisi te brengen. Brecht vloog namelijk niet met ons terug. Hij ging een nieuwe groep begeleiden in Armenië. Dat zou ik ook nog wel eens willen meemaken want in Armenië zijn er soorten te zien die we niet in Georgië niet kunnen verwachten. De incheck gebeurde vlot evenals de passage door de veiligheid en de grenspolitie. Het vliegtuig was weer een oude Boeing 737-700, met weinig beenruimte. Een sardienendoos dus. Dat het geen nieuw toestel was kon ik afleiden uit de vaststelling dat er nog een asbak in de deur van het toilet zat. Het rookverbod in vliegtuigen is ingevoerd rond 1995. Het toestel was dus waarschijnlijk voor dat jaar gebouwd. Reken maar uit. Ik vroeg op een gegeven moment wanneer er koffie kwam. De airhostess verstond mijn vraag niet. Ik begreep het niet, tot ze me vertelden dat de koffie al gepasseerd was. Ik heb dus blijkbaar geslapen toen dat gebeurde. Veel service biedt Georgian Airlines niet, want alle drank en snacks waren te betalen. En dat voor een vlucht die 4u 30 minuten duurde. De landing in Schiphol was probleemloos en de passage door de grenspolitie was voor ons vlot want we moesten alleen ons paspoort in een scanner steken en als die vond dat we op de foto leken, mochten we door. Maar toen we de koffers gingen afhalen liep het mis. Toen de monitor aangaf dat alle koffers van onze vlucht op de band waren gezet, ontbrak de mijne. De deelnemers van onze reis die met een busje zouden terugkeren namen afscheid en Ann, Mireille en Herman bleven. Die hadden, zoals ik op de heenreis ook in hotel Schiphol overnacht en werden zoals ik toen we vertrokken met de pendelbus naar de luchthaven gebracht. We bleven nog wat wachten aan de band, maar de koffer verscheen niet. Na wat zoeken vond ik de desk om het ontbreken van de koffer aan te geven. KLM bleek namelijk de luchtvaartmaatschappij te zijn die ook de problemen van Georgian Airways behandelde. Ik stond aan te schuiven in de rij tot Mireille plots verscheen met mijn koffer die ik thuis gemerkt had met een blauw lint. Zij was bij de band gebleven en plots kwam mijn koffer toch tevoorschijn. We waren een half uur kwijt. We zochten de uitgang en beseften dat Schiphol erg groot is. Buiten vonden we direct de shuttlebus. Die reed ons weer naar hotel Schiphol. Nadat we ons ticket gekregen hadden van de receptie om uit te parking te rijden, namen de drie andere reizigers afscheid. Ik zocht mijn wagen en reed weg. Tijdens de daguren mag men op de Nederlandse snelwegen maar 100 km/u rijden en dat was heel gezapig. Een paar uur later was ik thuis. Nergens in de file gestaan.

Dat was het einde van een aangename reis.