27 november 2025

Reisverslag Vogelreis naar Georgië 2025: prachtige Kaukasus en indrukwekkende steppes

In april 2025 trok Brecht De Meulenaer met een groepje vogelaars naar het bergachtige Georgië. In het Kaukasusgebergte aan de Zwarte Zee, is het heerlijk vertoeven en blijf je verwonderd door al wat rond je vliegt en leeft. Deelnemer Herman Killens kroop in zijn pen voor een mooi verslag. De beelden zijn van zijn partner Mireille Camps

 

Vogelreis naar Georgië 2025

Door Herman Killens

Kort na het openstellen van de Starlingreis naar Georgië waren er al zoveel deelnemers dat de trip het label “gegarandeerd vertrek” meekreeg. Dat had de volgende reden. Tijdens onze reis naar Andujar vertelde reisleider Brecht zo enthousiast over Georgië dat we samen met de reismaatjes Ilse en Ludo afspraken om ons in te schrijven. Vriendin An vroeg wat later of ze mee mocht en Ilse overtuigde al snel nog een koppel uit haar kennissenkring.

Zeven inschrijvingen, bijna volzet!

Georgië, we moesten toch eens goed op onze wandwereldkaart kijken om het land te kunnen situeren. Half Azië en half Europa, aan de Zwarte Zee, geprangd tussen Rusland, Turkije, Azerbeidzjan en Armenië, met lappen betwist grondgebied die bezet zijn door de Russen. Als opwarmer gaan we in januari in Gent naar de première van de boekvoorstelling “A wildlife guide to Georgia” van auteur Brecht. De uitstekende presentatie geeft ons meteen al een goed overzicht van het land en wat we kunnen verwachten. Georgië telt een dikke 400 vogelsoorten, waarvan zowat de helft broedvogel is. Er is zelfs sprake van de lokale “Big 5”: de Kaukasische berghoen, de Kaukasische korhoen, de (Güldenstädts) witkruinroodstaart, de grote roodmus en de Kaukasische bergtjiftjaf. Ik neem op internet een kijkje in de bestanden van Avibase. Huh, een gevlekte eend, een kaneeltaling? Maar ja natuurlijk, dat is het bestand van de Amerikaanse staat Georgia, niet van Georgië… We studeren ons suf over hoe roodvoorhoofdkanaries, witkruinroodstaarten en rode rotslijsters eruit zien, proberen de verschillen tussen alle roofvogels en leeuweriken te onthouden en maken een handig Excellijstje van alle mogelijke vogels met referenties naar Brechts boek en onze eigen lijst van gespotte vogels.

Kortom, we zijn er klaar voor.

Dag 1 – vrijdag 25 april

Hollandse toekan

Om een nachtelijk vertrek naar de luchthaven van Schiphol te vermijden hebben we een hotelovernachting in de buurt (Hoofddorp) geboekt. Trouwens helemaal geschikt voor vogelaars: Van der Valk met een toekan als logo… An parkeert haar wagen op onze oprit en dan trotseren we samen het megadrukke verkeer rond Antwerpen en in Nederland. Daarna genieten we van een aperitiefje en een gezellig diner in het hotel. De serveerster vraagt ons of we speciaal voor Koningsdag (morgen) naar Amsterdam komen. Neen hoor. Van Georgië of de vogelhobby heeft ze duidelijk nog nooit gehoord.

Dag 2 – zaterdag 26 april

Belgische reisduiven

Het ontbijt slaan we over en om twintig voor zeven stipt worden we door de pendelbus opgepikt. Die zit barstensvol toeristen en bagage. Na wat speurwerk staan we als eersten aan de “inkomhal aan deur F van Departures 2”. Meteen komt Brecht ons al begroeten, gekleed in zijn typische oranje trekkingsbroek. Bij een koffietje begroeten we Ilse en maken we kennis met Elvire en Willy, Eefje en Pieter en Nestor-Jan (78 jaar jong en ervaring zat, hij spot al 70 jaar vogels!). Een minpuntje: Ludo heeft zich jammer genoeg afgemeld. Wij hebben zelf zoveel mogelijk op grammetjes bespaard, maar Brecht verschijnt met een halve bibliotheek die hij tijdelijk over de medereizigers wil verspreiden. Niet enkel een hele stapel van zijn nieuwe bestseller, maar ook turven als de Mountain Flowers and Trees of Caucasia, de Field Guide to Mammals of Europe, North Africa and the Middle East, een Turks vlinderboek (in het Turks …), het tweedelige Handboek Europese vogels van Nils van Duivendijk en nog veel meer. Letterlijk zware lectuur en prima als we ‘s avonds niet in slaap zouden geraken! De vlucht naar Tbilisi duurt ongeveer 4 uur en 30 minuten, maar door de oostelijke tijdszone “verliezen” we nog eens twee uur extra. In de Tbilisi Sjota Rustaveli Internationale Luchthaven, zowat 17 kilometer ten zuiden van de hoofdstad, proberen we het Georgisch schrift te ontcijferen. WC in het Georgisch bijvoorbeeld. Om “lost and found” aan te duiden hebben ze dan weer een heel lange strook nodig. Jan popelt om eraan te beginnen, zodanig dat hij zonder op zijn bagage te wachten al meteen naar de douane stapt. In het luchthavengebouw is de huismus de eerste “officiële” vogel die we spotten. Brecht en tweede chauffeur Pieter pikken de huurwagens (Toyota 4Runner) op en dan is het puzzelen om al die bagage netjes gestapeld in de autokoffers te krijgen. Samen met An en Ilse nemen we plaats in de witte auto van Brecht, “the black team” van Pieter omvat verder nog Eefje, Elvire, Willy en Jan. De thermometer toont 23 graden en de zon speelt verstoppertje.

Na een half uur rijden tussen de vele zwerfhonden, de alle verkeersregels aan hun laars lappende Georgische chauffeurs en middenin een heuse straatrace bereiken we om 19 uur de smalle straatjes van de oude stad waar er nauwelijks een parkeerplaats is op het plein naast het Hotel Kopala. Met het vele houtwerk heeft het enigszins een koloniale look-and-feel. In ruil voor een fotokopie van onze paspoorten ontvangen we de sleutel van de kamer. De kelder in? Eén verdieping lager hebben we vanaf ons balkon nog steeds een geweldige panorama over de stad. Onze kamer – eigenlijk meer een appartement – is enorm groot met verschillende afzonderlijke ruimtes. We maken meteen gebruik van de koffie- en theefaciliteiten. Het avondmaal wordt buiten geserveerd op de hoogste verdieping, met een mooi zicht op de feeëriek verlichte stad. Er verschijnen veel schoteltjes op tafel, allemaal bijzonder lekkere dingen uit de Kaukasische keuken waarvan we de namen nog niet kennen, ondanks de boeiende televisieaflevering van De mosterd van Meus. En daar hoort uiteraard een uitstekend Georgisch wit wijntje bij. Rondcirkelende gierzwaluwen, overvliegende kwakken en reigers, de eerste kruisjes worden gezet in de vogellijst. Plots begint het te druppelen en moeten we de tafel naar drogere oorden verslepen. Beneden in de stad klinkt een luidruchtige discobar. Hopelijk hebben we daar vannacht geen last van.

© Mireille Camps

Dag 3 – zondag 27 april

Sloveense berggeit

Onze slaapkamer gaf gelukkig uit op een binnenkoer. Geen straatlawaai dus voor ons, in tegenstelling tot enkele onfortuinlijke medereizigers. Voor het ontbijt gaan we in groep de oude stad verkennen. We lopen door een park vol zwerfhonden en steken de Vredesbrug over, een boogvormige voetgangersbrug van staal en glas die de Mtkvaririvier overspant. In de verte zien we een kathedraal en een fort liggen. We passeren huizen met prachtige oude houten balkons (sommige bouwvallig), een reeks oosterse badhuizen, minaretten en moskeeën, dwalen door steegjes en lopen trappen op en af. Aan een waterloop naast het Royal Bath House flitst een Kaukasische waterspreeuw voorbij en spotten we een gezin grote gele kwikstaart. Langs een drukke verkeersader gaan we een grote kolonie kwakken, koereigers en kleine zilverreigers (inclusief enkele oeverlopers) aan de overkant van de Mtkva bekijken, tot we proestend en niezend moeten vluchten door massaal rondvliegende pollen van platanen. Tijdens het ontbijt wrijven we nog steeds in onze ogen. We gaan op zoek naar Georgisch geld. De wisselkantoren in de stad zijn nog niet open, de roestige geldautomaat in een zijstraat vertrouwen we euh… voor geen geld, en een nieuwer exemplaar spreekt alleen maar Georgisch. Maar Ilse is daarstraks al op pad geweest met Brecht en kan ons dus uitleggen waar we moeten op klikken om het toestel in een Engelse polyglot om te toveren. Samen met An lukt het zo om de lari’s (en apekool?) te veroveren. Wel doorzetten, Brecht wil binnen een tiental minuutjes vertrekken en we moeten de reiskoffers nog naar boven sleuren.

De zon is van de partij en het kwik stijgt richting twintig als “we” (eigenlijk Brecht en Pieter) het drukke verkeer in Tbilisi trotseren. Wel uitkijken voor zwerfhonden en loslopende koeien. Aan de rand van de stad komen we in een rijkere buurt met veel groen. In een van die bossen gaan we op zoek naar de Turkse boomklever. Dat lukt uiteindelijk, net als de groene fitis en de zwarte specht, al kost het ons inspanning en hulp van de medereizigers eer we die vogels zelf in het vizier krijgen. Daarna moeten we opnieuw door Tbilisi waarna we voorbij het standbeeld van David de Bouwer (900 jaar geleden koning van Georgië) en enkele watermeloenkraampjes koers zetten naar het noorden over de zogenaamde Georgian Military Highway, richting het Russische Vladikavkaz (“heerser van de Kaukasus” – Vladivostok betekent dan weer “heerser van het Oosten”). We laten de oude hoofdstad Sveti links liggen. Een bord geeft aan dat het tot Istanboel nog 1715 km is. We volgen nu een boulevard vol winkels, restaurants, benzinestations, apotheken, hotels zonder sterren en kraampjes met bezems en berenmutsen. Tijd genoeg om aan de honderden drankenstalletjes watervoorraad in te slaan zou je zo denken, maar dat is zonder Brecht gerekend. En zo komen we aan onze picknickplek zonder water en geen winkel meer te bespeuren. Gelukkig zitten er fruitsapjes in het lunchpakket dat we meekregen. Geen picknicktafel in het bos, wel een glibberige steile afdaling waar de lakens worden gespreid. Geen sinecure. We geven de schotels al zittend aan mekaar door, rechtstaan is risicovol. De hoeveelheid voedsel is immens, daar krijgen we nog geen kwart van op. Er zijn zelfs pizzadozen met de befaamde kachapuri, het lokale kaasbrood. De gevederden vallen tegen: geen balkan- of kleine vliegenvangers, enkel een pimpelmees. Verderop passeren we het middeleeuwse kasteel van Ananuri met een bijna droogstaand meer. Aan een reeks stroomversnellingen van de Bragvirivier kan je aan halal (!) rafting doen. In Pasanauri zien we wegroestende auto’s uit het Sovjettijdperk. Over de pas zien we links Zuid-Ossetië liggen, een betwist grensgebied dat door de Russen is bezet. We bereiken nu de zone waar er sneeuw ligt. En dat terwijl het in België momenteel hoogzomer is! Vlak bij Gudauri, een toeristisch skigebied met zicht op enkele drieduizenders en zelfs eentje boven de 4000 meter, houden we halt aan het Russisch-Georgisch Vriendschapsmonument (alhoewel de vriendschap intussen al fel afgekoeld is), een enorme driekwart stenen cirkel beschilderd met scènes uit de Russische en Georgische geschiedenis. Er ligt veel vuilnis, maar de uitzichten vanaf de platformen zijn fenomenaal. Zó verblindend dat Eefje haar telescoop laat vallen, jammer genoeg met schade tot gevolg. We zien hier vooral roofvogels – onder meer een torenvalk en twee lammergieren – en in de diepte tussen de bomen kleine witte vogeltjes. Helaas komt Brecht te laat om ze op naam te kunnen brengen. Achter ons schuiven (vooral) Georgische, Russische en Chinese toeristen aan voor de obligate selfies (met of zonder stick) en een foto aan het levensgrote hart. Die foto willen we ook, denken Elvire en Willy en ze voegen de pixeldaad bij het woord. “What do you see?”, vraagt zo’n toerist bij het zien van al die telescopen. Wij zeggen “birds” maar hij verstaat “bears” en grijpt meteen naar zijn fototoestel…

Na een dessertkoek rijden we over de Jvaripas op 2380 meter hoogte. De autothermometer geeft 52 graden Fahrenheit aan, na enige hogere wiskunde omgerekend naar zowat 11 graden Celsius. We rijden op de enige weg met grensovergang naar Rusland, en dat is te merken aan het vele vrachtverkeer. Aanschuiven, de politie heeft beurtelings verkeer ingesteld vanwege de smalle tunnels. De leukste file ooit. We zien een zomertortel op een elektriciteitsdraad, witte kwikken, tapuiten en waterpiepers en een strandleeuwerik van een lokale ondersoort. Als we na een tijd terug mogen rijden spotten we een grauwe klauwier en 4 kleine klapeksters. We stappen uit voor foto’s maar dan komt de politiecombi langs… We rijden nu tussen de pakken sneeuw. In een pikdonkere tunnel zit het verkeer muurvast. Twee bussen kunnen elkaar niet passeren. De politieagenten achter ons doen niemendal niks. Het duurt lang voor dit opgelost is. Bij het uitrijden van een tweede tunnel zien we links grote stukken travestijnsteen. Met alle Chinezen maar… Welwel, die boren hier een tunnel door de bergwand om het verkeer in de toekomst vlotter te laten verlopen. We rijden de Narovanirivier over en horen op de radio hoe Pogacar de tegenstand in Luik-Bastenaken-Luik eens te meer degradeert (“I was just testing my legs”). Kazbegi heet nu officieel Stepantsminda maar de koeien en paarden lopen nog steeds vrij rond in de straten boordevol putten en losliggende buizen. De eerste wolken drijven binnen. Om kwart na zes parkeren we aan het Alpine Lounge Hotel, helemaal in Oostenrijkse of Zwitserse chaletstijl. Alle kamers bevinden zich op de “tweede” (eigenlijk de eerste) verdieping. Onze kamer 8 heeft een klein balkon met zicht op de bergen tegenover de Mount Kazbek en op het pittoreske kerkje van Tsminda Sameba (de Drievuldigheidskerk van Gergeti), een van de meest gefotografeerde iconen van Georgië. We organiseren een kleine verbouwing om onze reiskoffers te kunnen neerleggen zonder er ‘s nachts over te struikelen. Helaba, Belgen op bezoek en de witte wijn staat niet koud! We genieten weer van een gezellige en heerlijke maar weer veel te overvloedige avondmaaltijd, afgesloten met het “officieel” invullen van de vogellijsten. Morgen vertrekken we om 5.45 uur (helder weer, de hoenders) of om 6.45 uur (mist, alternatief plan). Benieuwd!

Dag 4 – maandag 28 april

Chinese sperwer

We hebben de wekker om kwart over vijf ingesteld. Ik sta klaar om me te scheren en Mireille is net ingezeept onder de douche als – ping! – Brecht via WhatsApp laat weten dat “het er niet naar uitziet dat we het eerste half uur iets gaan zien, dus afspraak om 6.45 uur”. We kruipen terug onder de wol maar van slapen komt niet veel meer in huis. Om zes uur staan we op, mist, sneeuw op de daken, nul graden. Bof. Nu weten we weer waarom we die tweede helft van de bagage hebben meegebracht (warme truien en thermisch ondergoed, sjaals, mutsen en handschoenen). Voorbij een dood paard struinen we door de besneeuwde velden maar een afrastering en een gesloten ijzeren poortje versperren ons de weg. Heel ongebruikelijk volgens Brecht. We kruipen dan maar tussen de prikkeldraad door. Maar ook nu komen we niet ver: deze keer is het een beek die de doorgang naar de volgende weide bemoeilijkt. Samen met Ilse en Jan kruipen we door de beek en het struikgewas terwijl de anderen de auto’s naar een plek aan de overkant gaan brengen. Wat een fantastisch landschap! Tussen de mistflarden zien we de contouren van blauw-witte bergflanken. Het lijkt wel wat op IJsland. In de berijpte velden staat een eenzaam stenen kruis. Plots doorbreekt Jan de ijzige stilte. “Ginder in die duindoornstruik”, fluistert hij. “Een groep roodvoorhoofdkanaries, een van onze speciale doelsoorten”. Bingo. De rode vlek op hun kop is door de verrekijker goed te zien. Ze fladderen heen en weer maar gelukkig kunnen de intussen gearriveerde “automobilisten” ook nog genieten van het spektakel. Twee Kaukasische heggenmussen zorgen voor een zang- en baltsspektakel.

Na het ontbijt gaan we een kijkje nemen aan de dam waar de Chinezen volop met hun bouwwerken bezig zijn. We spotten er onder meer een Kaukasische waterspreeuw en – als eerste van de big 5 – een witkruinroodstaart. Plots zien we een sperwer met een ontzettende snelheid vlak naast ons op een onfortuinlijke prooi neerduiken. Een indrukwekkend belevenis. We zien ook nog een fazant maar die wordt later door de jury afgekeurd wegens allicht niet wild. We lunchen in het hotel en gaan dan op namiddaguitstap. Eerst nog eens naar het kadaver van het paard gaan kijken: neen, geen gieren. Daarna rijden we door naar een grote rotswand, de ideale habitat voor een rotskruiper. We zoeken tegen een muurtje bescherming tegen de strakke wind. Ernaast ligt een vervallen dorpje. Het lawaai van de Chinese graafwerken weerklinkt luid tegen de wand. Na een halfuur intensief speuren beginnen we een stijve nek te krijgen. En net als we alle hoop opgeven ontdekt – de zelfverklaarde niet-vogelaar! – Pieter de rotskruiper. Hoera. Daarna volgen we onverharde weggetjes door de Trusovallei. Onderweg wandelen we door een fraai gelegen verlaten dorp waar we Turkse fraters aan onze vogellijst kunnen toevoegen. Een vlag geeft in de verte de Russische grens aan. We volgen nu een smalle bergweg tot sneeuw en steenpuin ons de weg versperren. Dat betekent wel dat Pieter en Brecht naast de afgrond moeten manoeuvreren om te kunnen terugkeren. An beklaagt het zich ondertussen dat ze zich vooraf als reservechauffeur had opgegeven… Net voor we in het hotel terugkeren, slaat het weer om. We hebben maar een kwartiertje tot het avondmaal. Ik begin stilaan wat last te krijgen van het helse ritme eten-vogelen-eten-vogelen-eten-(beetje) slapen enz. En van te weinig me-time.

© Mireille Camps

Dag 5 – dinsdag 29 april

Syrische teddybeer

Zelfde scenario als gisterenmorgen. Om 5.20 uur appt Brecht “blijf maar liggen”. Om zes uur zien we inderdaad dikke mist rond de bergflank hangen… maar twintig minuutjes later is de top plotseling zichtbaar. De Brechtse berichten blijven binnenstromen. “35 Kaukasische toers, Kaukasische korhoen, ortolaan”! Wij spurten meteen naar beneden. De hoenen, daar moeten we naar op zoek. Voorbij een kerkje klimmen we naar een geweldig 360-graden-uitkijkpunt tussen de besneeuwde toppen. Een fotografisch hoogtepunt. De zoogdieren lukken moeilijker. Na heel wat aanwijzingen vinden we een Kaukasische toer – een soort steenbok – die af en toe komt piepen hoog op een bergrichel. Maar de Kaukasische berghoen spotten is lastiger. De hele groep is al de hele tijd enthousiaste kreten aan het slaken terwijl wij nog niets gezien hebben. Elke keer als Brecht onze telescoop op het berghoen wil richten wordt hij toevallig door iemand anders afgeleid. En als we door andere telescopen willen kijken blijkt het berghoen telkens achter een rots verstopt. We worden er wanhopig van. Maar eureka het lukt: we krijgen we die big fiver alsnog te zien! Intussen is een rode rotslijster mooi op een dak komen poseren. We zijn al zo lang op dat het ontbijt haast middagmaal lijkt. Koffie van de bar duurt eindeloos, ik houd het dan maar op Nescafé. De eettafel is ongemakkelijk hoog. Van de voortdurende slappe muzak worden we weer helemaal slaperig.

We gaan op een wat lager stuk langs een puinhelling speuren. En met succes: een Kaukasische korhoen laat zich mooi bewonderen, net als een witkruinroodstaart, een steppebuizerd en een beflijster (amicorum). Onze vogellijst breidt met rasse schreden uit. Die pannenkoekjes met chocolade hebben we dus dubbel en dik verdiend. In de namiddag vinden we ook een Kaukasische bergtjiftjaf naast een steenslagpad over een riviertje waar paarden komen drinken. Vervolgens rijden we steil naar boven, naar de Drievuldigheidskerk van Gergeti. Er is een grote parkeerplaats maar velen stallen hun wagen langs de baan vlak voor de kerk. Jan blijft op de parking wachten, Brecht, Eefje en Pieter gaan op zoek naar adders en wij hangen met de rest van de bende “de toerist” uit. Het kerkje ligt fraai bovenop de helling. We klimmen naar boven, lopen er wat rond maar een binnenbezoek is niet mogelijk omdat er huwelijken plaatsvinden. Ook de adders laten het afweten. Langs de weg is een slogan gekalkt op een muur. Eerst denken we dat het “No Tourism” is maar na beter kijken blijkt het “No To Russissim” te zijn. Vlakbij het centrum proberen we nog wat vogels te spotten… aan een bouwwerf. Maar bij het oversteken van een beek kan Mireille een natte schoen en sok niet vermijden. Na een heen-en-weer naar het hotel voor droog materiaal bewonderen we een Kaukasische waterspreeuw die aan een dam steen voor steen omdraait. Het wordt frisser, de mist komt op. We rijden over de Georgian Military Highway tot vlak voor de Russische grens, aan het fonkelnieuwe Darialiklooster. En ondanks de mist spotten we op de beboste heuvel aan de overkant naast gemsbokken toch wel een (Syrische) bruine beer zeker! Geweldig, daar mogen we de klok wel even voor luiden. Is onze kippensoep van berghoen of van korhoen? We willen het niet weten. Na het diner vouwt Brecht de kaart open om de gevolgde route te tonen en gaat Mireille aan de slag met de wc-papiervoorraad uit een kast in de gang en met een haardroger om haar rechterschoen droog te krijgen.

Dag 6 – woensdag 30 april

Kerkhofscharrelaar

Net voor de klok van zeven verzamelen we op het hotelterras onder de Europese vlag. Met een beperkte groep gaan we langs een rivier struiken en kleine bosjes afspeuren. Opletten geblazen: het is een kakapad. Met verschrikkelijk veel zwerfvuil. Een vrachtwagen dumpt van bovenaf zelfs nog extra troep de helling af. Uiteindelijk zien en horen we verrassend weinig vogels. Op het einde van onze wandeling begint het te regenen. Om tien uur staan we pakkensklaar. Vooral Pieter heeft het talent en geduld om alles netjes in de auto te stapelen. Zelfs nu in de gietende regen. De auto is toch wel smal en achteraan allesbehalve comfortabel. Gelukkig wisselen we elke dag en kan iedereen om de beurt vooraan zitten (behalve Mireille die daar geen zin in heeft). Mireille zit nochtans elke dag op de achterste middenzetel en kan haar benen zelfs niet strekken. Van regen komt sneeuw. En dan is het tijd voor de show van strandleeuweriken. Moeten die niet op een of ander strand zitten? De lokale ondersoort broedt hier wel degelijk. Aan het Vriendschapsmonument is deze keer weinig volk. We lassen even een stop in aan het fraaie kasteel van Ananuri. Op een toeristenmarkt koopt An een soort berenmuts.

Wat later gaan vooral Brecht en Eefje in het vliegenvangersbos met de steile helling fanatiek op zoek naar de Balkan- en kleine vliegenvangers, terwijl de “supporters” boven op veilige grond een gezellig babbeltje slaan. Vooraleer we verder afdalen naar de Georgische steppen gaan we picknicken… op een kerkhof. Een beetje luguber: grote portretten op de grafstenen staren ons van alle kanten aan. Naast de omheinde grafzerken staan arduinen privétafels en -banken. In onze knapzakken vinden we onder meer een hardgekookt ei, een grote tomaat en komkommer, brood en kachapuri-achtige dingen (we zouden eens zonder kunnen vallen…). We zien voor het eerst op deze reis een scharrelaar. Het zal niet de laatste zijn. We genieten intussen met volle teugen van het heerlijke zonnetje. Het Jandarimeer bevindt zich helemaal in het zuiden en ligt deels in Georgië en deels in Azerbeidzjan. Het landschap is niet zo opwindend maar er fladderen hier nogal wat vogels rond. Witvleugel-, witwang- , dwerg- en lachsternen bijvoorbeeld, maar ook speciallekes zoals de Ménétries’ zwartkop, de ortolaan en de Balkankwikstaart. Maar Mireille beleeft er weinig plezier aan. Ze is in de bosjes gedoken om te gaan braken. Iets verkeerds gegeten? Ze ziet er maar pips uit. Langs de grens met Azerbeidzjan rijden we onverhard naar onze overnachtingsplek Oasis Club in Udabno. We passeren (en stoppen voor) enkele herders met kudden. De zon gaat al onder als we onze bungalow 1 binnenstappen. Mireille kruipt meteen in bed. Wat later valt de elektriciteit op onze kamer uit. Ik ga de groep op mijn eentje vervoegen voor het avondmaal. De medereizigers zijn meteen heel bezorgd om Mireille. Het is ijskoud in de schuur vol spleten. Het kacheltje geeft nauwelijks warmte. Na een overwegend vleesmaaltijd begin ik mij ook onwel te voelen. De vogelboekhouding haal ik nog net, maar als ik naar de bungalow terugkeer word ik ook doodziek: diarree en overgeven, de hele nacht lang.

Dag 7 – donderdag 1 mei

Georgische Scheldepaling

De elektriciteit doet het nog steeds niet, geen warme douche en we voelen ons nog steeds niet zoals het moet. Dat ‘kerkhofeten’ is ons niet goed bevallen. We verdenken vooral de komkommer en de tomaat (niet goed gewassen?). We zitten lusteloos bij het ontbijt. Meer nog: gedurende enkele dagen raken we enkel nog brood en soep aan. Onze bungalow wordt als verzamelpunt van alle bagage uitgekozen. Ik zie een hop vlakbij op een draad maar dan weigert Mireilles fototoestel dienst (al kan het ook aan de gelegenheidsfotograaf liggen). De ochtendtocht in de buurt zit propvol roofvogels: steppekiekendieven, torenvalken, grauwe kiekendieven, zwarte wouwen, steppearenden. En tussenin andere leuke soorten zoals de izabeltapuit, de oostelijke blonde tapuit, de duinpieper en de alomtegenwoordige leeuweriken. Aan een meer “spreekt” Eefje een herder aan (in gebarentaal). Verwonderd kijkt hij door haar verrekijker. Ruilen voor zijn paard? Oh, en misschien Eefje erbij. Wat later komen we hem weer tegen en nu mag Eefje een ritje met het paard maken. We zien op de weg ook nog een dode scheltopusik liggen, een soort hazelworm. Als geheugensteuntje houd ik het op “Scheldepaling”. Nog voor de lunch bezoeken we het David Garedzja-grottenklooster. Dat strekt zich uit over drie niveaus en is in de zesde eeuw uitgehouwen uit de rotsen. Het Georgisch-orthodoxe klooster is nu nog steeds actief. We kunnen even een kijkje nemen in het inkomportaal van de kerk. Verder mogen we niet. Natuurlijk speuren we ondertussen ook nog naar vogels, zoals een koppeltje huismussen dat een nest gemaakt heeft in een gat in de muur. Brecht en enkele volgelingen klimmen nog een heuvel op richting Azerbeidzjan (het klooster ligt pal op de grens) op zoek naar rotslijsters en rotskruipers. Wij blijven met Jan, An, Willy en Elvire op een muurtje zitten, opgelucht dat we even kunnen uitrusten. An koopt in de “church shop” een icoon en een boekje, ik zoek tevergeefs naar het medische wondermiddel cola.

Het is druk in de Oasis Club in Udabno. We moeten het met een tafel in de schaduw stellen. Wij houden het voorzichtig bij een soepje. Aan de Poolse supportersvlaggen en voetbalshirts kunnen we merken dat de uitbaters uit dat land komen. Oei, een vlieg op de sla. Een gewone mens geeft daar een mep op, maar niet deze diehard-natuurliefhebbers. “O, een kameelhalsvlieg!” klinkt het en er worden foto’s gemaakt. Toch onze soep maar eens goed nakijken… Met de blik op de besneeuwde toppen van de Grote Kaukasus laveren we tussen de schapenkuddes, langs druivenranken en vogelrijke meertjes richting eindstation van de dag: Dedoplistskaro. Onderweg koopt Brecht churchkhela, de “Georgische snickers”, aaneengeregen noten in kaarsvorm met bonte kleuren, traditioneel gedoopt in druivenmost. Brecht krijgt van het black team over de walkietalkie te horen dat hij het hotel voorbij gereden is. Maar Brecht kent de binnenstraatjes en parkeert aan de achterkant van het hotel. Een mooie tuin en een bijzonder warme ontvangst door de huisvrouw: het Savanna Guesthouse is een topper. We zitten verspreid. Er zijn twee bungalows in de tuin en de kamers bevinden zich in verschillende gebouwen. Na wat smeken en zielig kijken krijgen wij een van de huisjes. En dan valt onze elektriciteit weer uit… gelukkig maar tijdelijk. Om kwart voor acht komt Pieter op onze deur kloppen. Het diner is klaar. Er verschijnen ongelooflijk veel schotels op de tafel, zeker voor meer dan dubbel zoveel gasten. Die Georgiërs denken waarschijnlijk dat wij héél weinig eten. En als Eefje een bord teruggeeft om wat plaats te winnen op de tafel komt die meteen boordevol terug. Voor ons is er gelukkig weer soep en brood, meer hebben we niet nodig. Omdat het kraantjeswater niet drinkbaar is wordt het plat water trouwens uit een dispenser getapt. Bij de vogeltelling voelen we ons met zijn allen ongemakkelijk over het overgebleven eten. Er staat nog een dwergooruilentocht in het nabije park op het programma, maar niet voor ons: wij gaan eens goed uitslapen.

© Mireille Camps

Dag 8 – vrijdag 2 mei

“Heinekens” kortteenleeuwerik

De uitstap was gisterenavond een groot succes. Ze kregen de dwergooruil meteen te zien in het schijnsel van de zaklamp. Alleen had Jan zijn fototoestel niet bij…

Vandaag verkennen we het Chachuna Managed Reserve. Iets na negen zetten we ons in beweging. De route is enorm hobbelig, door diepe, smalle kloven en over heuvels met spectaculaire hellingsgraad. Enkel voor zeer ervaren 4×4-chauffeurs, wat Pieter en Brecht dus zeker zijn. An maakt zich intussen zo onzichtbaar mogelijk. Onderweg zien we zwartkopgorzen, bijeneters, scharrelaars, arendbuizerds en veel andere roofvogels en alle soorten leeuweriken. Op betonnen brugjes spotten we steenuiltjes. “Welcome in Azerbeidzjan”, klinkt het in een sms van Telenet. Aan de Russische grens hielden ze zich de voorbije dagen nochtans stil. We passeren het grootste olieveld van Georgië, maar het stelt niet veel voor. An zet een streepje telkens we herders en schapen-, geiten- en/of koeienkuddes zien. Met verscheidenheid: herders zonder kuddes, kuddes zonder herders, met of zonder paard, met of zonder hond… Een herder die met zijn twee zonen op pad is komt nieuwsgierig een praatje maken. Gelukkig spreekt Brecht Russisch. Onze passie voor roofvogels begrijpen ze niet echt, zij zien die alle dagen. An komt uiteindelijk uit op een dertigtal (trouwens verrassend grote) kuddes.

Aan een dam op een stuwmeer picknicken we. We spotten een zwarte frankolijn. Op het einde van de dam staat een groot betonnen gebouw met kapotte ruiten, waarin kleine torenvalken broeden. Mireille maakt er prachtige foto’s van. En dan 4×4’en we verder door de canyons. De diehards speuren uitgebreid en langdurig naar Heines kortteenleeuweriken. Dat is specialistenniveau, ik stap zelfs niet uit. Maar we zien ze vanuit de wagen wel rondfladderen, net als de lokale versies van gaai en groene specht. We voorzien nog een uitgebreide stop in het spectaculaire landschap van de broebelende moddervulkanen van Takhti Tepha. Na een bijzonder fraaie rit, met onder meer ook nog een zwarte frankolijn voor het lijstje, komen we weer rijkelijk laat over acht in Guesthouse Savanna terug. De sympathieke gastvrouw heeft (in onze ogen) weer veel te veel eten op tafel gezet, onder meer een grote soort dumplings. Mireille gaat nog met An, Jan en Brecht naar de uilen zoeken. Het duurt wat langer maar ook nu is het bingo voor de dwergooruil.

Dag 9 – zaterdag 3 mei

Slanke kiekendief

Enkelen zijn vanochtend al vroeg op stap geweest om (met succes) de “echte” fazant te gaan spotten. Wij installeren ons in het zonnetje voor onze bungalow. We hebben deze keer eens veel tijd. Het ontbijt staat pas om half negen gepland. Vanavond overnachten we in precaire blokhutten in het Vashlovaninatuurpark. Daarom nemen we slechts enkele spullen mee in ons rugzakje en in een Starlingtas. Het is al bijna 10 uur als we naar de toeristische dienst in de buurt rijden om onze slaapzakken voor vanavond op te pikken. Het gebouw herbergt ook een klein museum over de fauna en flora. Wel niet makkelijk te vinden: voorbij de toiletten en achter… een strijkkamer. Ondertussen is Brecht met Ilse en Eefje ook nog wat extra eten en drinken gaan kopen. We gaan nog even een kijkje nemen bij een warme bakker. Geen croissants of boterkoeken, maar enkel het lokale brood chotpuri dat gebakken wordt tegen de wand van een oven (een groot gat in de vloer).

De mist komt op. Wat moeten we ons voorstellen bij een “slanke” kiekendief? Blijkbaar als het precieze merk (grauwe, bruine) niet meteen duidelijk is. Twee kinderen wuiven naar ons vanaf een boerderij. Helaas te laat voor een foto. Wat verder stoppen we aan een fraai landschap van rollende groene heuvels. Waarop Mireille het lumineuze idee heeft om het statief uit de koffer te halen en voor de eerste (en enige) voltallige groepsfoto’s te zorgen. Met ook eentje waarop iedereen voor de grap naar een andere richting kijkt of wijst. Ook de picknick vindt plaats aan een ongelooflijk uitzichtpunt. We krijgen gezelschap van kampeerders. ‘s Namiddags maken we een wandeling in een stenige kloof. Ook de niet-vogels krijgen ondertussen de nodige aandacht: een Moorse landschildpad, een scheltopusik, een veeloog, een argusvlinder, een klein christusdoornblauwtje en een Kaukasische tweekleurige parelmoervlinder. Plots ontdekken Pieter en Eefje een gigantische adder van meer dan een meter lang. De adder kruipt omhoog langs de stam van een boom en dan moeten we lang speuren om het beest terug te vinden. De Levantijnse adder blijkt dan ook nog eens erg giftig te zijn. Ook Brecht heeft nog nooit zo’n groot exemplaar gezien. Achteraf blijkt dat hij jammer genoeg zijn vlindernet naast de boom heeft laten liggen. Verderop scoren we nog een rotsklever op de rotswand. Daarna gaat de bumpy weg verder. De medereizigers in de tweede auto vertellen dat ze telkens aan Mireille (die altijd achteraan op de middelste passagierszetel zit) kunnen zien wanneer het oneffen wordt. An vraagt aan Brecht of we nog okapi’s gaan zien… Dat uiteraard niet, maar grazende kropgazelles in de verste verte lukken wel. We zien ook een roodkeelpieper. Er staan hier veel gele wandelborden, maar bizar genoeg telkens met heel onrealistische staptijden van 20 km/uur en meer. Dat zal voor Keniaanse lopers zijn.

Aan een eerste vooruitgeschoven grenspost (we zitten hier vlakbij Azerbeidzjan) moeten we onze paspoorten en permits overhandigen aan een militair met een kalasjnikov. Onze documenten blijken niet helemaal te kloppen: een verkeerde nummerplaat. Terwijl er door de militairen lekker bureaucratisch heen en weer wordt gebeld komt er een herder te paard aan. Hij schudt een van de militairen de hand en vraagt of ze zijn waterbidon willen vullen. An gaat intussen het wc-kotje van de mannen inspecteren (resultaat: lage quotering). Tussen het traliewerk van de omheining groeien wijnranken. Na een half uur mogen we beschikken. Het begint al donker te worden. Nog een klein kwartiertje, meldt Brecht. Het worden uiteindelijk een lange vijftig minuten… Brecht moet plots de remmen dichtgooien. Bijna een nachtzwaluw aangereden. Na een tweede grenspost zonder problemen en kronkelende veldwegen in het pikkedonker verschijnt er om twintig voor negen eindelijk licht in de duisternis. De kampeerders van deze middag zitten al rond een mooi vuurtje. Dat moeten we dus al niet zelf aansteken. Met de zaklamp gaan we op zoek naar ons huisje. Brecht had ons verwittigd: de bungalows (verrassend ruim) hebben alle sanitaire en keukenfaciliteiten, verwarming, schakelaars en stopcontacten, maar… het water en de elektriciteit zijn niet aangesloten. Een gemist potentieel, want hier zit veel meer in. We leggen de slaapzakken open op de eenpersoonsbedden en nemen ons voor om hier verder niets aan te raken. Onze kachel ligt gedumpt op het terras, de gemeenschappelijke wc-ruimte schijnt vies te zijn. Dan maar de achterkant van onze chalet. An en Ilse zijn onze (afgelegen) buren, ook Jan en Brecht delen een huisje. Ondertussen zijn enkele medematen al stukken vlees en groente (meegekregen van de vorige accommodatie) op spiesen aan het steken en tomaten en komkommers (we worden ziek als we het woord nog maar horen) in stukken aan het snijden, bij het schijnsel van enkele hoofdlampen. Willy ontkurkt de fles wijn met mijn zakmes. Samen met de grote fles bier is die bijna meteen leeg. Te weinig meegebracht. Het (varkens)vlees smaakt mij uiteindelijk wel, al vind ik het nogal droog. We hebben nog veel over. Eefje gaat bij de kampeerders even langs met een schaal. Een ervan is in duidelijk beschonken toestand (lees: die hadden dus wél genoeg alcohol gekocht). Bij het gehuil van de goudjakhalzen gaan we slapen.

© Mireille Camps

Dag 10 – zondag 4 mei

Ontbijtwielewaal

Lap, de wekker verkeerd gezet. Overslapen. Ik zet onze deur al wagenwijd open om aan te geven dat we eraan komen. Al loopt dat niet van een leien dakje: die slaapzakken terug in die hoezen wurmen is een hele karwei. Maar onze reisvrienden zijn niet ongeduldig en om tien over zeven zijn wijle weg. Aan een uitkijkplatform met weeral magistrale zichten gaan we ontbijten. Hoera, brood met confituur! En yoghurt! En banaan! “Op de bovenste tak van die boom zit een wielewaal”, zegt Jan haast achteloos. Fantastisch: de vogel blijft een kwartier lang zingend op zijn plekje zitten. Mireille sluipt geruisloos naar de auto voor haar fototoestel. Topbeelden, topervaring! We zijn nog maar net met de auto terug op weg of we zien een oostelijke rosse waaierstaart. Tot voor kort had ik daar nog nooit van gehoord, nu al een lifer. De wachtpost ziet ons al van ver komen en wacht ons op met een koffietje in de hand. Maar hij zal geduld moeten hebben want in de struik net ervoor spotten we roze spreeuwen en in de boom ernaast een tokkelende Syrische bonte specht. De wachter zijn koffie zal wel koud geweest zijn als we eindelijk onze documenten laten zien. Plevierplezier: we zien een kleine plevier voor onze auto dartelen. We rijden nu door een soort dehesa, een halfopen weidelandschap met opvallende klaprozen. Daarin halen we nog eens alles uit de kast: Russische kauwen, slangenarenden, monniksgieren, Aziatische steenpatrijzen in het struikgewas en een grote karekiet die we dankzij Brecht en Eefje mooi bovenaan in het riet te zien krijgen. Einde offroad, nog 21 kilometer vlakke asfalt tot Dedoplistskaro, waar het stevig begint te gieten. Voetgangers moeten bij elk huis uitwijken voor de regenwaterpijpen die het dakwater over het trottoir uitstorten. Veel huizen staan hier maar te verkommeren, andere zijn dan weer netjes opgeknapt.

We leveren de slaapzakken weer in en rijden dan voorbij een markt waar varkenskoppen te koop zijn. Na nog wat zoete inkopen langs de baan (An koopt naar eigen zeggen een kilo of twee churchkhela voor de kleinkinderen) gaan we picknicken aan de Eagle Gorge die in de mist hangt. Geen varkenskoppen maar hoera bis: brood met confituur, yoghurt en banaan. Daarna trekt het open en kunnen we een stuk naar boven wandelen. Een dwergarend cirkelt aan de horizon. Het laatste glibberige gedeelte slaat Mireille over. Ze slaat een babbeltje met Elvire die halsreikend uitkijkt naar haar te vroeg geboren kleindochter die eindelijk naar huis mag. “Oei, waar is Mireille?”, vraagt Jan wanhopig terwijl hij naar een boomleeuwerik wijst die een eindje verder op een paaltje zit. Ik ga ook naar Mireille en Elvire toe. Ach, we missen de zwarte ooievaars. Die hebben we eerder al gezien, dus daar kunnen we mee leven. Om half vijf pikken we onze bagage op in Guesthouse Savanna en rijden naar Tbilisi. Daar onderhandelen we even met Brecht voor wat extra tijd vooraleer te dineren. Geen vaste menu in het restaurant van Hotel Kopala vanavond en dus moet Brecht een hele resem schotels bestellen. Met succes. Ook nu is het weer bijzonder lekker (nog een fijnere keuken dan onderweg) en gezellig op het dakterras met zicht op de verlichte stad. Het bier en de wijn vloeien rijkelijk. Niet te veel drinken want we moeten vannacht om 3.40 uur opstaan! Brecht houdt nog een slotrede over de geslaagde reis en is verwonderd dat er niet veel reactie komt. Tot Ilse triomfantelijk het (dank)woord neemt en hem onder luid applaus onze gemeenschappelijke fooi overhandigen. Voor onder meer een nieuw vlindernet? Topgids Brecht signeert dan nog zijn boeken maar wij hebben de onze (bewust) niet bij om het niet te beschadigen. Als mooi souvenir van de reis!

Dag 11 – maandag 5 mei

Ninoofse pechvogel (en geluksvogel)

Niet-ochtendmens An is helemaal haar kluts kwijt. Ze vergat haar powerbank in de auto en nu is haar gsm bijna plat. Om twintig voor vier checken we toch wel even of ze wakker is. In de luchthaven nemen we afscheid van Brecht. Die gaat morgen met de bus naar Armenië voor nog een Starlingreis. Voor An blijft het maandagochtendspook ronddwalen. Eerst moet ze een uitgebreide drugscontrole ondergaan, vervolgens nemen ze het Zwitserse minizakmes met grote emotionele waarde af en stelt ze na de paspoortcontrole vast dat ze haar jas en sjaal is vergeten. Gelukkig kan ze nog net teken doen naar Elvire net voor die ook door de paspoortcontrole zou gaan. In Schiphol volgt een warm afscheid van onze bijzonder sympathieke medereizigers. Wat fantastisch groepje was dat! Maar wij blijven nog even bij Jan, want zijn reiskoffer laat op zich wachten. Aan de balie van de verloren bagage horen we van een luchthavenmedewerkster dat ondanks de melding “alle bagage afgeleverd” soms toch nog koffers op de band opduiken. En dus gaat Mireille de hele tijd op de uitkijk staan terwijl Jan aan de balie zenuwachtig aanschuift. En inderdaad, wat later kunnen we de reiskoffer aan de rechtmatige eigenaar afleveren. Jan is opgelucht, want er stak onder meer een dure lens in. Samen uit, samen thuis! De shuttlebus staat net te wachten, in het Van der Valk-hotel nemen we afscheid van Jan en pikken we onze auto op en we brengen An zonder problemen weer naar Opwijk en naar haar eigen auto. We genieten nog lang na van de fantastische reis: vogel- en andere waarnemingen delen, polarstepsverhalen lezen, zelf een reisverslag schrijven, honderden foto’s bewerken en rondsturen en een fotoalbum maken.

Onze score: 152 vogels (38 nieuwe), 6 zoogdieren, 6 reptielen, 1 nacht- en 4 dagvlinders. En niet te vergeten: een kameelhalsvlieg.

Hé, naar waar gaan we volgend jaar met Starling op reis?

Alle beelden op onze website zijn eigen werk en gemaakt door onze deelnemers en gidsen. Wat je ziet geeft dus een realistisch beeld van wat jij zelf kan zien, beleven en fotograferen op onze reizen.