Reisverslag natuurreis naar Tasmanië en Australië 2025 DEEL 1: Tasmaanse endemen
In november 2025 trok begeleider Jan Kelchtermans met een enthousiaste groep natuurliefhebbers Down Under. Deze bijzondere natuurreis bestond uit twee delen: Tasmanië en Australië, en ook dit reisverslag volgt diezelfde route.
We beginnen in Tasmanië, het kleine broertje van Australië. Dit eiland, ooit losgescheurd van het vasteland, herbergt een verrassend ongerept en uniek stukje natuur. Door zijn geïsoleerde ligging bleef veel van die rijkdom uitzonderlijk goed bewaard. Het landschap barst van de endemische vogel-, zoogdier- en plantensoorten, wat Tasmanië tot een waar paradijs maakt voor natuurliefhebbers. Laat je meevoeren door het eerste deel van dit boeiende reisverslag!
Eerste etappe: acclimatiseren en ontdekken
De reis begint, ter verwerking van het tijdsverschil, rond de Tasmaanse hoofdstad. Sommigen vergezellen Jan bij het vogels zoeken nabij Hobart. Anderen verkiezen een eigen programma dat cultureel of ontspannend van aard is. Nog anderen arriveren gewoon wat later. Het is pas in de ochtend van tien november dat de reis effectief uit de startblokken zal schieten.
Wij die vogels kijken met Jan bezoeken de botanical gardens, Mnt Wellington, Waterworks Reserve en Mnt Nelson. Het levert een fraai lijstje op van heel wat kleurrijke soorten. Specifieke aandacht is er voor de lokale endemen. Iets wat, met het overgrote deel ervan, vrij aardig lukt. We scoren maar liefst acht van de twaalf endemische soorten die het eiland rijk is: green rosella, Tasmanian thornbill, Tasmanian scrubwren, yellow wattlebird, yellow-throated honeyeater, black-headed honeyeater, Tasmanian native hen en black currawong. Ook aangenaam is de korte afstand die mogelijk is bij het fotograferen van heel wat vogelsoorten. Het levert kleurrijke en leuke plaatjes op!

10 november: een dag vol vleugels op Bruny Island
De dag begint met het zachte geronk van de motor en het eerste licht dat over het landschap glijdt. We rijden richting de ferry, nog wat slaperig, maar met dat typische gevoel van verwachting dat bij reizen hoort. De overzet naar Bruny Island voelt als een kleine overgang naar een andere wereld, een plek waar natuur nog het ritme bepaalt.
Nog maar net aangekomen of we houden halt op een heuvel. Hier zouden ze moeten zitten: swift parrots. Het is november, lente in Tasmanië, en dus precies het moment waarop deze zeldzame papegaaitjes hier broeden. Het duurt geen minuut of we horen ze al: hoge, scherpe kreetjes. En dan zien we ze ook. Kleine, felgekleurde stipjes tussen de bloeiende blue gum trees. Ze foerageren druk tussen de bloemen, volledig opgaand in hun bezigheid.
Jan kijkt even op van zijn verrekijker en benadrukt hoe bijzonder dit is. Ondanks de groepjes die overvliegen en roepen, blijft het een zeldzame soort. En dan gebeurt het: enkele vogels beginnen boomholtes te inspecteren. We kunnen ze van dichtbij volgen, bijna intiem. Alsof dat nog niet genoeg is, krijgen we zelfs een paring te zien, een moment dat je niet snel vergeet.
Even verderop wacht een nieuwe uitdaging, forty-spotted pardalotes. Kleine, beweeglijke vogeltjes die zich niet zomaar prijsgeven. We klimmen een heuvel op, tussen de nestkasten die speciaal voor hen zijn opgehangen. Het kost wat moeite, maar uiteindelijk worden we beloond. Daar zitten ze, fragiel, levendig, bijna nerveus fladderend, maar uiteindelijk goed in beeld.
In de namiddag verandert het decor volledig. We belanden op een afgebakend stukje strand nabij Adventure Bay. Het voelt bijna idyllisch: zacht zand, ruisende golven en een broedend koppeltje hooded plovers. Kleine, stevige plevieren met opvallende roze poten en een rode oogring die scherp afsteekt tegen hun zwarte kap. Ze zitten net boven de hoogwaterlijn, precies waar je ze verwacht, en lijken zich weinig van ons aan te trekken.
De kustlijn is adembenemend. De overgang van zee naar bos en het pad dat ons erdoorheen leidt maakt het geheel bijna schilderachtig. In Adventure Bay zelf zien we de plevieren opnieuw, deze keer rennend langs de branding, hun pootjes snel over het witte zand. Alsof ze deel uitmaken van het ritme van de golven.
Ook de swift parrots laten zich hier weer horen, hoog in de gum trees. Het blijft bijzonder om die roep opnieuw te herkennen.
De dag levert nog meer mooie waarnemingen op: een dusky robin die rustig op een elektriciteitsdraad zit, een spotted pardalote bij een nestholte, tree martins die verrassend genoeg nestelen bij de ingang van een publiek toilet. Hoog in een boomtop spotten we een shining bronze-cuckoo, en langs een pad achter het dorp trekt een luidruchtige groep yellow-tailed cockatoos onze aandacht.
Tegen de avond trekken we naar The Neck, misschien wel de meest iconische plek van Bruny Island. De smalle landengte die noord en zuid verbindt, strekt zich voor ons uit, met glooiende heuvels die langzaam in het avondlicht verdwijnen. Hier komen elke avond de little pinguins terug naar hun nesten, een ritueel dat zich al generaties lang herhaalt.
We wachten, turen over zee, luisteren naar de wind. Duizenden pijlstormvogels zouden hier moeten verschijnen, vlak voor de pinguïns. Maar afgezien van enkele flesh-footed shearwaters die pas invallen wanneer het echt donker wordt, blijft de zee opvallend leeg. Soms is het net die stilte die een plek nog indrukwekkender maakt.

11 november: regenwoudwandelingen en nachtelijke ontmoetingen
Na het ontbijt op de kamer, trekken we onze wandelschoenen aan voor een tocht door een weelderig regenwoud waar boomvarens het pad flankeren. Het voelt alsof we zo een scène uit Jurassic Park binnenstappen: mysterieus, groen en een tikkeltje onwerkelijk.
Later op de dag verkennen we nog enkele gelijkaardige trails. Onze blik blijft scherp, want we zijn vastberaden om de Tasmanian scrubtit te spotten. Helaas laat deze endemische soort zich voorlopig niet zien, hoe aandachtig we ook speuren tussen het dichte groen.
Na het avondmaal is het nog lang niet gedaan. Gewapend met zaklampen trekken we opnieuw de natuur in, deze keer op zoek naar nachtdieren. In het begin is het wat aftasten in het donker, maar al snel worden we beloond voor ons geduld. We spotten onder andere brush-tail possums, eastern quolls, zowel de lichte als donkere kleurfase, en ook Tasmanian pademelons en Bennett’s wallabies laten zich bewonderen. Een geslaagde afsluiter van een dag vol natuurbeleving.


12 november: door weer en modder naar een beloning
Om negen uur ’s ochtends vertrekken we opnieuw richting de ferry, dit keer om Bruny Island te verlaten. Onderweg naar Geeveston hebben de reisdeelnemers in de volgwagen geluk: chauffeur Jan spot van achter het stuur een witte fase van de grey goshawk. Deze witte variant van de grey goshawk is de enige volledig witte roofvogel ter wereld. Een ronduit opvallende, bijna spookachtige verschijning, met spierwit verenkleed, rode ogen en felgele poten.
De eerste twee pogingen om een vogelbekdier (platypus) te spotten nabij Geeveston blijven zonder resultaat. Ook de wandeling later op de dag, gericht op de ground parrot, levert niets op. Niet alleen het weer zit tegen – nat, koud en winderig – ook het biotoop werkt niet mee. De plek met button grass waar Guille (lokale gids) deze soort tijdens de voorbereiding nog had gezien, blijkt afgebrand. Bovendien is het voortdurend oppassen op de modderige en glibberige ondergrond om niet onderuit te gaan.
Maar “derde keer, goede keer” blijkt uiteindelijk toch te kloppen wanneer we opnieuw bij de rivier staan voor het vogelbekdier. De spotlight van Jan doet zijn werk, zowel op de rivier als op een poeltje met eendenkroos. Van dichtbij zien we duidelijk de rubberachtige, eendachtige snavel, de zwemvliezen en de beverachtige staart, een bijzondere afsluiter van een uitdagende dag.

13 november: sprokkelen in de Tasmaanse wildernis
Alvorens te ontbijten, vergezelt een deel van de reisdeelnemers Jan opnieuw in de richting van de plek waar de vogelbekdieren zich ophouden: een kolkend riviertje, verscholen in het groen, op nauwelijks een kwartiertje rijden van ons logement. En alsof het zo moet zijn, laten ook vandaag twee dieren zich prachtig zien. Zalig genieten!
Maar, eens ontbeten, beslist het weer anders. Regen en wind gooien roet in het eten en dwingen ons om de excursies te staken. Pas tegen de late voormiddag klaart het enigszins op en zoeken we een alternatieve locatie op, in de hoop ground parrots te observeren. Onderweg maken we nog een omweg naar een plek die een local ons tipte: een nest van een white-bellied sea eagle. Het nest vinden we inderdaad, maar het blijkt verlaten. De vogels zelf laten zich gelukkig wel zien, zij het op grote afstand, zwevend boven de baai die zich voor ons uitstrekt. In de verte vangen we ook een glimp op van een wedge-tailed eagle van de Tasmaanse ondersoort en een black currawong, één van de twaalf endemen van het eiland. Die bleke iris, stevige snavel en donkere verschijning maken het telkens weer tot een bijzondere waarneming. Een schitterende vogel.
Voor de ground parrots moeten we doorzettingsvermogen tonen. Guille trekt er twee keer op uit en doorkruist kriskras het haast ondoordringbare button grass. Elke stap is een kleine strijd, elke beweging een kans om op iets te stoten. Maar waar hij op hoopt, verschijnt niet. In plaats daarvan vliegen blue-winged parrots op. Wie mee het veld in trekt en snel reageert met de verrekijker, wordt wel beloond met een andere specialiteit van dit habitat: de southern emu-wren.
Iets minder uitdagend zijn enkele groepjes strong-billed honeyeaters, een van de laatste endemen die nog op ons lijstje stonden. Voor de rest blijft het sprokkelen: een satin flycatcher hier, een yellow-tailed cockatoo daar, wat dusky woodswallows, een schicht van een brush bronzewing en ook common bronzewing, pink robin en flame robin laten zich zien. De olive whistler blijft beperkt tot een auditieve waarneming.
Het weer blijft ondertussen tegenwerken. Het is te koud voor de tijd van het jaar, de wind blijft aantrekken en net wanneer we terug bij de wagens zijn, gaan de hemelsluizen opnieuw open.
De avond brengen we door in Cockle Creek, een afgelegen kustplaats en het meest zuidelijke punt van Australië dat je over de weg kan bereiken. De rit ernaartoe, langs een ruige kustlijn en door indrukwekkend bos, is op zich al de moeite waard. Eenmaal ter plaatse hebben we één doel: de eastern quoll, het grootste vleesetende buideldier van het Australische vasteland. Maar net als het goede weer, laat ook dit dier zich niet zomaar zien. De regen dwingt ons om de wandeling vroegtijdig af te breken en de temperatuur zakt tot een kille 6 graden. Toch krijgen we op de terugweg nog een mooie afsluiter. Twee nachtvogels kruisen ons pad: een tawny frogmouth en een Tasmanian boobook. Die laatste wordt door sommigen zelfs als een volwaardige endemische soort beschouwd, een passende afsluiter van een dag waarop het zoeken vaak belangrijker bleek dan het vinden.

14 november: geen melkweg, wel mierenegel
Ook vandaag is er weer een pré-ontbijtuitstap voorzien voor wie dat wil: op zoek naar het iconische vogelbekdier. Zodra we deze plek verlaten, verdwijnt de soort namelijk zo goed als volledig uit het programma en elders ter wereld krijg je sowieso geen tweede kans om dit unieke, eierleggende zoogdier te spotten.
Na het ontbijt wandelt Guille over de boardwalk in de baai over het hotel met uitzicht op een broedkolonie kelp gulls. Ook een wedge-tailed eagle laat zich opnieuw bewonderen, deze keer een pak dichterbij dan gisteren, wat de ervaring toch net dat tikkeltje intenser maakt.
Daarna trekken we richting grotten, niet ver van de plek waar we de voorbije dagen tevergeefs zochten naar de ground parrots. Ditmaal zijn het glimwormen die onze aandacht trekken: bioluminescente larven die normaal een magisch, sterrenachtig schouwspel creëren tegen de plafonds van vochtige grotten.
Maar het weer gooit opnieuw roet in het eten. Het pad is op sommige stukken moeilijk begaanbaar en de toegang tot de grot vereist op het einde zelfs wat klim- en klauterwerk. Door de aanhoudende regen en het hoge waterpeil moeten we onze verkenning al snel staken. Het donkere deel van de grot — waar de glimwormen zich zouden tonen blijft onbereikbaar. Een levende melkweg? Die zal voorlopig toch uit de boekskes moeten komen.
Geen reden tot treuren, want op de terugweg wacht een onverwacht hoogtepunt. In een verlaten steengroeve klaart het plots op en kruisen we het pad van een ander bijzonder dier: de mierenegel (short-beaked echidna). Voor velen een absolute bucketlist-soort, en volledig terecht. Het diertje snuffelt onverstoord langs het pad, op zoek naar voedsel, en laat zich uitgebreid observeren en fotograferen.
Net als het vogelbekdier behoort de mierenegel tot de zeldzame eierleggende zoogdieren, die enkel voorkomen in Australië en Nieuw-Guinea. Met zijn stekelige rug, lange snuit en opmerkelijk lange, kleverige tong (tot wel 18 cm) is hij perfect aangepast aan een dieet van mieren en termieten. Tanden heeft hij niet, maar graven kan hij des te beter dankzij zijn krachtige klauwen. En alsof dat nog niet bijzonder genoeg is, draagt hij zijn jongen in een tijdelijke buidel. Echt zot!
Voor de lyrebirds zit het tijdstip ons minder mee. Tijdens de middag laten ze zich zelden zien. We moeten het stellen met hun sporen in de bosbodem, duidelijk bewijs van hun gegraaf in de strooisellaag op zoek naar voedsel. Gelukkig brengt een latere wandeling nog wat goeds: een groepje foeragerende Tasmanian scrubtits, de laatste endeem die nog op ons lijstje stond. Ook een eastern spinebill laat zich bewonderen, een sierlijke honeyeater met zwart-wit-kastanjebruin verenkleed, een rood oog en een elegante, naar beneden gebogen snavel.
Met het oog op de basic facilities op Marian Island later deze week, maken we in de namiddag nog een praktische stop bij een outdoorwinkel voor wie nog een slaapzak nodig heeft. Daarna zetten we koers richting Eaglehawk Neck, waar morgen een boottocht op het programma staat. Onderweg houden we halt bij een visrestaurant dat speciaal voor ons de deuren opent. En ja, het smaakt!

15 november: zeevogels, bultruggen en kleine pinguïns
Na het ontbijt begeven we ons naar de kaai, waar een privébootje al op ons wacht. Na een korte uitleg over veiligheidsmaatregelen varen we de baai uit. De zee is wat onrustig en het bootje eigenlijk net iets te klein voor ons gezelschap. Dat betekent dat niet iedereen een goed zicht heeft aan bakboord, en fotograferen is een uitdaging. Maar hé, we zijn op zee, en dat is het belangrijkste.
Onze bestemming? Het mekka voor zeevogels: de continental shelf. Langs deze continentale platen zorgen zeestromingen en opwellingen ervoor dat voedingsstoffen uit het diepe water naar boven komen. Dat trekt enorme concentraties plankton en vissen aan, het ideale jachtterrein voor zeevogels. Hoe dichter we bij de shelf komen, hoe meer vogels we zien.
Eens ter plaatse wordt de motor stilgelegd en begint het spektakel: “chumming”, een techniek waarbij visresten in het water worden gegooid om de vogels te lokken en een ware voederwoede te creëren. Het werkt: binnen enkele minuten zijn we omringd door albatrossen,pijlstormvogels en een bonte verzameling zeevogels. Het gekrijs van de vogels is uniek, een geluid dat je enkel op open zee of bij broedkolonies hoort… kippenvel!
Helaas neemt het avontuur een plotselinge wending. Door een ongelukkig voorval, waarbij de boot achteruit vaart en onderwater loopt, komen enkele mensen ten val. Een moeilijke beslissing volgt: de pelagic wordt vroegtijdig afgebroken. Zo verliezen we twee à drie uur op open zee, maar we hebben nog altijd een indrukwekkende vogellijst:
Silver gull, kelp gull, great crested tern, southern royal albatrosses (2), Antipodean albatross (Gibson’s), Buller’s albatrosses (2), white-capped albatrosses (29), black-browed albatross, Campbell black-browed albatross, northern giant-petrels (4), pintado petrel (Antarctic), soft-plumaged petrel, white-chinned petrels (15), short-tailed shearwaters (2950), Australasian gannets (8) en twee black-faced cormorants.
Daarnaast spotten we drie bultruggen, waarvan twee vlakbij de kust een paar indrukwekkende sprongen maken, en een pelsrob zwemt dicht bij de wal.
Na dit abrupte einde trekken we ’s middags naar de nabijgelegen Fossil Cliffs om de benen te strekken en op het gemak vogels te kijken. De kliffen zijn een van de bekendste geologische formaties van Tasmanië, met een uitkijkpunt dat een weids uitzicht biedt over de oceaan en de indrukwekkende dolerietkliffen. Maar het zijn vooral de zoogdieren die zich laten zien: een tweede mierenegel steekt ons pad over en we zien enkele Tasmanian pademelons – kleine, gedrongen buideldieren die foerageren op verse groene scheuten tussen het verbrande landschap. Endemisch in Tasmanië, met een dikke, donkerbruine vacht en een kortere staart dan wallabies, zijn ze een genot om te observeren.
Na het avondeten wandelen we naar het lokale strand. Behalve een trio lokale bewoners hebben we het helemaal voor onszelf. Zodra het donker wordt, verschijnt hetgeen waar we op gehoopt hebben: little pinguins! Eerst een groepje van zes, dan een groepje van acht.
Little pinguins, die onder andere in Tasmanië leven, komen meestal pas aan land wanneer het donker is. Overdag zijn ze op zee om te jagen op kleine vissen en andere prooien. Bij daglicht kunnen ze onder water beter zien. Wanneer de avond valt, keren ze terug naar de kust om hun nest op te zoeken en hun partner of kuikens te voeden. Het donker helpt hen ook om veiliger aan land te komen, omdat roofdieren hen dan minder gemakkelijk kunnen zien. Vaak wachten ze zelfs op elkaar en komen ze in kleine groepjes tegelijk uit het water, wat hun veiligheid nog vergroot. Een fenomeen waar wij getuige van zijn!
Een dag vol hoogtepunten, onverwachte wendingen en onvergetelijke ontmoetingen met zowel vogels als zoogdieren.


16 november: wildlife op Maria Island: wombats en Tasmaanse duivels in hun element
Na het ontbijt en het inslaan van wat proviand, stappen we aan boord van de eerste ferry richting Maria Island. Het eiland staat bekend om verschillende iconische Tasmaanse dieren waaronder wombats en Tasmaanse duivels (Tasmanian devil).
De wombats werden in 1979 geïntroduceerd met slechts twintig tot dertig exemplaren. Inmiddels is hun aantal uitgegroeid tot zo’n 2.600 dieren. Hun succes is te danken aan het ontbreken van natuurlijke vijanden, weinig ziektes zoals schurft en de overvloed aan grasland.
De Tasmaanse duivels zijn om een heel andere reden op het eiland geïntroduceerd: als verzekeringspopulatie tegen de besmettelijke Devil Facial Tumour Disease op het vasteland. Hun aantal groeit langzaam maar gestaag en bedraagt momenteel ongeveer tachtig tot honderd dieren. Omdat ze nachtactief zijn, zie je ze meestal alleen ’s avonds of ’s nachts.
Dat juist wombats en Tasmaanse duivels Maria Island zo bijzonder maken om Tasmaans wildlife in het wild te ervaren, blijkt al snel uit onze eerste waarnemingen. Rond het gebouwencomplex waar we verblijven, daagt vrijwel een redelijk gehavende Tasmaanse duivel op. Het dier, rusteloos en continu in beweging, keert tot twee keer toe terug. Tijdens een wandeling in de namiddag stuiten we tevens op een tweede exemplaar.
De wombats laten zich veel gemakkelijker observeren. Naarmate de middag vordert, bewegen ze zich langzaam en rustig, perfect om te fotograferen. Ze zijn niet alleen schattig, maar ook bijzonder uniek: wombats zijn de enige dieren ter wereld die kubusvormige uitwerpselen produceren, een handige manier om hun territorium te markeren.
’s Avonds komen onze slaapzakken goed van pas als we ons terugtrekken in het logement. De temperaturen blijven immers fris, maar dat doet niets af aan de ervaringen van de dag. Met waarnemingen van zowel wombats als Tasmaanse duivels, was ons bezoek aan Maria Island ronduit fantastisch!


17 november: onderweg tussen eilanden en steden
Sommige dagen staan volledig in het teken van verplaatsen, en vandaag is er zo eentje. Na het ontbijt laden we de bolderkarren vol en trekken we richting de steiger. Daar wachten we op de overtocht terug naar het vasteland van Tasmanië. Het tempo ligt rustig; er is tijd voor een kop koffie en om te genieten van een groepje Jan-van-genten dat sierlijk over het water scheert.
Toch hangt er ook een lichte spanning in de lucht, want onze gidsen moeten stevig doorwerken om hun vlucht op tijd te halen. Het verhuurkantoor van de wagens ligt namelijk niet vlak bij de luchthaven, wat de timing net iets krapper maakt.
Eenmaal aangekomen in Melbourne herhaalt het scenario zich, maar dan in omgekeerde volgorde: valiezen oppikken, iets eten, met de shuttle naar het verhuurbedrijf en vervolgens met de huurwagens naar onze verblijfplaats. Onderweg maken we nog een korte stop in een park, waar we onze ogen de kost geven aan de indrukwekkende vleerhonden die in de bomen hangen.
De dag eindigt gezellig met een etentje in een Koreaans restaurant, een smakelijke afsluiter van een lange, maar boeiende dag onderweg.
Wordt vervolgd…