Reisverslag Natuurreis in de Brenne 2025: Flora en fauna langs de duizend meren
Een enthousiaste groep vogelliefhebbers trok einde mei 5 dagen naar de Brenne met STARLING. Zo’n 270 km ten zuiden van Parijs, in het departement Indre, vind je het regionaal natuurpark. Met een oppervlakte van bijna 200.000 hectare, gesitueerd tussen Chateauroux en Poitiers, is dit een van de best bewaarde geheimen van Frankrijk. Een verslag door Luc Bruggeman.
We starten ’s morgens op het kerkplein van Lebbeke met 2 minibusjes, samen met natuurgids Jan Loos. In de namiddag bezoeken we al onze eerste visvijver, étang de Bellebouche (wat een naam), er zullen er nog veel volgen. De Brenne wordt immers ‘het land van de duizend meren’ genoemd. Het zijn er in werkelijkheid 2.500! In deze prachtige maar verlaten streek vind je enkel visteelt en veehouderij. Deze plas is de broedplaats van honderden koereigers, maar ook purper-, blauwe, kleine en grote zilverreigers en kwak zijn van de partij.
De volgende dagen verlopen intens, plezant en gevarieerd. Intens omdat de dagen goed gevuld zijn met een ochtendexcursie voor de vroege vogels, een rijkgevuld dagprogramma en na het avondeten een facultatieve avondexcursie. Plezant omdat de groep een paar lolbroeken telt die de lachspieren danig op de proef stellen. Gevarieerd omdat niet enkel op vogels wordt gefocust. Ook zoogdieren, amfibieën en reptielen, insecten en planten komen ruim aan bod.

De ochtendexcursies zijn een explosie van zang en gekwetter van zangvogels met tientallen zangposten van nachtegalen en gorzen die we kunnen zien en horen. Niet enkel geel- en grauwe gors maar vooral de broedende cirlgorzen zijn een opsteker voor elke vogelliefhebber van de Lage Landen. We genieten nog van speciale zangvogels zoals bergfluiter, orpheusspotvogel en graszanger. Ook de korte zang van de wielewaal is nooit ver weg. De zomertortel is wel geen zangvogel maar zijn roep, een snorrend, dromerig gekoer, klinkend als ‘I love you’, klinkt als muziek in de oren.
Sommige soorten zoals grauwe klauwier of zwarte wouw zijn alom tegenwoordig, andere soorten zoals spechten zien we nauwelijks. Op de vele plassen foerageren vanzelfsprekend watervogels. Vooral de grote kleurrijke mannetjes krooneenden vallen op met hun roodbruine kop en oranjebeige kruin en rode bek. Op de grote plas bij de Auberge de la Gabrière waar we dagelijks eten en een deel van de groep logeert, zwemmen er honderden. Om de 8 jaar worden de visvijvers drooggelegd om vis te oogsten. Daarna worden ze een jaar met planten en andere organismen gevuld wat gunstig is voor de vispopulaties van de volgende jaren. Dit systeem wordt in de Brenne al eeuwenlang toegepast om de habitat en biodiversiteit te beschermen. Aangezien we niet vooraf weten welke plas is drooggelegd, staren we soms vanuit een vogelkijkhut op een lege vijver en spotten we bijvoorbeeld edelherten. Nog beter, in het natuurreservaat van Chérine in de lege visvijver ‘étang des Essarts’ bewonderen we 3 hoppen net voor de hut. Twee hoppen foerageren op een liggende boomstronk. Pas wanneer de derde adulte vogel komt aangevlogen, merken we dat de 2 aanwezige hoppen nog jonge vogels zijn. De adulte hop pikt met zijn lange snavel grote insecten uit de grond aan een hels tempo. De jonge vogels, sterk gelijkend op adulte vogels maar met een doffer verenkleed en lichtjes kortere snavel, kijken bewonderend toe. Ze hebben nog veel te leren.

De eerste avondexcursie brengt ons meteen bij de nachtzwaluwen op een open plaats in het bos. Hun snorrend, ratelend geluid draagt ver. We naderen in volledige stilte. Een van de vogels scheert nieuwsgierig langs. Verder spotten we nog bosuil en edelhert en genieten we van het luide, korte en snel op elkaar volgende krék-krék-krék-geluid van de boomkikkers. De volgende avondexcursie eindigt met een ontmoeting met everzwijnen. Bij aankomst aan onze gite, ‘vliegt’ een wild zwijn naar alle hoeken van het binnenplein alvorens naast de schuur weg te stuiven. Was me dat even schrikken, voor het zwijn wel te verstaan. In de auto ligt iedereen dubbel geplooid van het lachen. Je weet wel, lolbroekenplezier.
Op de voorlaatste dag bezoeken we nog een broedplaats van honderden witwangsternen en een locatie met een kleine populatie bijeneters. Een Europese wilde kat kruist ons pad en sluipt weg in het hoge gras. Visarend en slangenarend worden eveneens afgevinkt op onze soortenlijst, niet verwonderlijk gelet op de vele vissen en reptielen in de regio.
Over reptielen gesproken (geelgroene toornslang, ringslang, smaragdhagedis, Europese moerasschildpad), ze worden bewonderd elk in hun eigen biotoop. Ook van de vele insecten worden haarscherpe foto’s genomen, o.a. van slanke groenvleugel, blauwe ijsvogelvlinder, vliegend hert. Idem voor de vele orchideeën.
Tijd om afscheid te nemen. Op de vraag van de gite-eigenares of we naar huis rijden, leggen we uit nog een laatste stop in te lassen om griel en kleine trap te zoeken (die we effectief zullen vinden). Maar wat is kleine trap in het frans? Iemand maakt duidelijk dat we op zoek gaan naar ‘un petit escalier’. Echt tijd om naar huis te gaan, de lachspieren beginnen pijn te doen.